Opinie

Niemand is gebaat bij vage taal in de politieke cultuurstrijd

De stichting Pandora bracht in 1974 de befaamde spiegelende poster uit met de aan Simon Carmiggelt ontleende tekst: „Ooit een normaal mens ontmoet? …en, beviel ’t?” Het waren subversieve tijden en niemand wilde meer „normaal” zijn. Hoe drastisch de stemming is omgeslagen, bleek het nu bijna voorbije jaar waarin de „normale Nederlander” zijn comeback beleefde. Meest opvallend daarbij was dat ‘politiek Den Haag’ collectief de jacht opende op die „gewone Nederlander”. Maar de vraag is: bestaat hij wel, die doorsnee Nederlander?

Koningin Maxima – toen nog prinses – dacht tien jaar geleden dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat. „Nederland is te veelzijdig om in één cliché te vatten”, zei ze. En daarin had zij gelijk. Maar de prinses ontketende daarmee wel een storm op internet. Want toen al was, zonder dat we ons dat misschien zo scherp realiseerden, de huidige cultuuroorlog uitgebroken waarin alles draait om identiteit. Of eigenlijk om identiteiten.

En politieke partijen zijn met hun slinkende marktaandelen agressief op zoek naar de kiezer. De tijd dat alle partijen loepzuiver konden worden verbonden met bepaalde groepen in de samenleving, ligt ver achter ons. De zuilen van christenen, katholieken, liberalen en socialisten zijn decennia geleden opgelost in puntenwolken rond thema’s als arbeid, zorg, onderwijs, welvaart en welzijn. Kiezers houden zich massaal op in het midden van het politieke landschap en partijen ontwikkelden zich tot electorale alleseters.

Het valt op zich toe te juichen dat die politieke partijen zich rekenschap geven van de mens achter de electorale spreadsheet. Maar daar passen wel een paar kanttekeningen bij. De belangrijkste is dat de betekenis van het politieke concept „gewone Nederlander” fluctueert. Aan de rechterflank van het politieke spectrum is het een code voor iedereen die geen moslim of anderszins van buitenlandse komaf is. Aan de linkerzijde is de gewone man iemand die in een kantine eet. Dus een meer sociaal-economische definitie van wat vroeger „de kleine man” heette. Historicus en journalist Jos Palm wijdde dit jaar met De gewone man zelfs een hele monografie aan deze sociologische categorie.

Begrippen als ‘gewone man’ en de ‘elite’ lijken echo’s van de marxistische tegenstelling tussen arbeid en kapitaal.

Bedacht moet ook worden dat de gewone man de tegenvoeter is van „de elite”, een al even fluïde begrip. Beide begrippen lijken slechts echo’s van de marxistische tegenstelling tussen „arbeid” en „kapitaal”. De scheidslijnen van de huidige tegenstelling zijn echter niet zozeer sociaal-economisch. De ‘gewone man’ is ook niet, zoals decennia gebruikelijk was in de Haagse politieke arena, gedefinieerd op basis van zijn ‘koopkrachtplaatje’. Hij is de infanterist in die verongelijkte cultuurstrijd waarbij politici inspelen op gevoelens van ontheemding, wrok en ressentiment.

Ondertussen zijn er signalen dat Nederlanders in meerderheid niet veel anders aankijken tegen zaken als migratie, economie en politiek dan een kwart eeuw geleden, zoals een SCP-rapport deze maand concludeerde. Dat betekent niet dat de reële problemen van burgers in de multiculturele samenleving – oorspronkelijke Nederlanders én nieuwkomers – kunnen worden genegeerd. Maar wel dat die moeten worden aangepakt binnen een bredere maatschappelijke visie op het toenemen van armoede, kansenongelijkheid, ziekte en vergrijzing. Het helpt daarbij niet om te werken met zo’n afgesleten containerbegrip als de „gewone man”. Een politiek debat wordt pas effectief als alle deelnemers dezelfde, scherp afgebakende en helder gedefinieerde begrippen hanteren. Al was het maar om volksverlakkerij te voorkomen.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.