Met ons gaat het goed – al geloven we het nog niet

Hoogconjunctuur

De economie bloeit, al willen we daar nog niet helemaal aan. De burger houdt argwaan, ondernemers zijn vol vertrouwen.

De bereidheid om grote aankopen te doen was in 2017 groter dan tien jaar geleden, maar oversteeg die van eind jaren negentig nog niet. Foto Piroschka van de Wouw

Letterlijk ongelofelijk, dat economische herstel van 2017. Dat ontdekte ING-topeconoom Marieke Blom toen zij onlangs klanten van de bank vragen voorlegde over de toestand van de economie. Terwijl Nederland dit jaar met 3,3 procent economische groei de sterkste periode doormaakte in tien jaar, bleken zij het best lastig te vinden dat te accepteren.

Op de vraag of de sterk aangetrokken economie te typeren valt als een zeepbel, antwoordde de helft bevestigend. De eveneens sterk gestegen huizenprijzen worden door 71 procent van de respondenten getypeerd als zeepbel, de gestegen aandelenkoersen door 73 procent. Bovendien denkt ruim eenvijfde van hen dat de volgende klap voor de economie binnen twee jaar komt. Ruim een kwart verwacht die klap binnen twee jaar voor de huizenmarkt, 38 procent voor de aandelenmarkt. En maar liefst 41 procent vreest dat de volgende crisis nog erger zal zijn dan die van 2008.

Blom ziet daarin een soort post-traumatisch stresssyndroom: de klap van de vorige crisis zit nog zo diep dat velen kennelijk moeilijk kunnen accepteren dat het allemaal echt over is. Want van een zeepbel op de huizenmarkt is volgens haar, behoudens in Amsterdam, echt geen sprake. En de forse economische groei die we nu doormaken, is grotendeels een inhaaleffect van alle gemiste groei in de afgelopen jaren. Daar is, zo bezien, niets verdachts aan. Ook de capaciteitskrapte in de economie, een indicatie van mogelijke oververhitting, lijkt vorige pieken nog lang niet te benaderen.

Absurd rap bijstellen

Nu ging het allemaal ook wel erg snel. Hoe snel, dat bleek in het najaar van 2016, toen het ministerie van Financiën zijn prognoses voor het begrotingstekort absurd rap moest bijstellen. Wat rond Prinsesjesdag dat jaar nog een tekort van 1,4 procent leek te worden, bleek eind 2016 omgeslagen in een klein overschot. De voornaamste reden: een arbeidsmarkt die op topsnelheid aantrok.

In 2017 ging dat door. De werkloosheid bedroeg 6 procent in 2016 en daalde dit jaar gemiddeld naar 4,9 procent. Volgend jaar wordt dat volgens De Nederlandsche Bank (DNB) 3,9 procent en het jaar daarop 3,5 procent. Dat is, voor Nederlandse begrippen, dicht bij volledige werkgelegenheid. Al stelt ING-econoom Blom wel dat er nog veel verborgen arbeidsreserve is: mensen die bijvoorbeeld wel willen werken, maar zich daarvoor nog niet hebben aangemeld. Ontmoedigden vaak, die nu opeens wél aan de slag kunnen.

Maar toch: de gebruikelijke waarschuwingen dienen zich alweer aan. Eerder deze maand raamde het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht een schreeuwend tekort aan werknemers in Nederland. Tot 2022 komen er maar liefst 520.000 banen bij. Dat zou betekenen dat de onderhandelingsmacht terugverhuist van werkgevers naar werknemers. Niet voor niets voorziet DNB dat de stijging van de loonsom per werknemer als het allemaal zo doorgaat in 2019 versnelt naar 3,2 procent. Vorige week stelde directeur Laura van Geest van het Centraal Planbureau dat de lonen volgend jaar meer stijgen dan dit jaar. Ook minister Koolmees (Sociale Zaken, D66) verwacht dat.

Zo raakten we in 2017 zomaar verzeild in een hoogconjunctuur. Er zijn twee recente perioden waarmee het nu aflopende jaar vergeleken kan worden. De eerste is het einde van de jaren negentig. Toen droomden we van de Nieuwe Economie die internet met zich mee zou brengen en waarin recessies verleden tijd zouden zijn. Na de val van de Sovjet-Unie en zijn Oost-Europese satellietstaten leek het democratisch kapitalisme zoals wij dat kennen het enig overgebleven maatschappijmodel dat levensvatbaar was. Privatisering en deregulering gingen in de overdrive en het vooruitzicht van een prachtige nieuwe wereld van het internet zorgde ervoor dat de bedrijfswinsten ononderbroken zouden groeien. De beurskoersen weerspiegelden dat. Totdat bleek dat het optimisme met zichzelf op de loop ging.

Grote aankopen

De tweede periode van groot optimisme was vooral in 2007 toen, bleek achteraf, een ontspoorde financiële sector met de échte economie aan de haal was gegaan. Die zeepbel knapte in 2008.

Het lijkt de herinnering aan deze periode die de burger nu nog parten speelt. Zijn bijbehorende vraag: is het ditmaal allemaal wél echt?

Gezien de bovengenoemde steekproef van ING gelooft hij het vaak nog niet helemaal. Maar ander onderzoek laat toch meer optimisme en onbekommerdheid zien. Het consumentenvertrouwen, bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek, bereikte in augustus 2017 een piek van 26. Dat betekent dat van elke honderd ondervraagden er 26 meer positieve antwoorden gaven dan negatieve, op een bundel van vragen over de economie.

Het oordeel over ‘de economische situatie in de laatste twaalf maanden’ was in november 2017 beter dan in 2007. De ‘bereidheid grote aankopen te doen’ was groter, inmiddels nog groter dan tien jaar geleden, maar oversteeg die van eind jaren negentig nog niet. Tegelijk is de inschatting van de eigen financiële situatie, een van de deelvragen van het consumentenvertrouwen, nog lang niet zo gunstig als bijvoorbeeld tien jaar geleden. Hier geeft de burger zijn argwaan prijs.

Sinds jaar en dag wordt de stemming van burgers over de maatschappij samengevat als ‘met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht’. Gaat het over de economie, dan lijkt het tegenovergestelde aan de hand: met ons gaat het best weer goed, maar met mij weet ik het zo net nog niet. Voor ondernemers gaat dat niet op; hun vertrouwen is zelfs hoger dan eind jaren negentig.

Irrationale uitbundigheid

Hoe lang deze hoogconjunctuur gaat duren, is onbekend. Maar Lucas Daalder, de chief investment officer van Robeco, wees er vorige maand op dat de Amerikaanse centrale bankier Alan Greenspan al in 1996 waarschuwde voor ‘irrationele uitbundigheid’ op de financiële markten. Het feest ging daarna nog drie jaar door.

Er zijn de gebruikelijke staartrisico’s – calamiteiten met grote gevolgen. Blom noemt Noord-Korea, de Italiaanse verkiezingen, een forse correctie op de financiële markten: het kan allemaal. En, misschien wel het belangrijkst: dit herstel leunt zwaar op de zeer lage rentes die vanuit de Europese Centrale Bank worden bespoedigd. Maar toch, je kunt op twee manieren fietsen met wind mee. De eerste is dat je je nu al zorgen gaat maken over de tegenwind op de weg terug. De tweede is om, aan de vooravond van 2018, gewoon even te genieten van het moment.