Hoe de Gewone Nederlander de taal bereikte

Ewoud Sanders

Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw wordt Gewone Nederlander een min of meer gangbare typering.

Hierbij sluit ik me aan bij alle woord-en-persoon-van-het-jaar-verkiezingen. Voor mij was de woordgroep van het jaar 2017: De Gewone Nederlander.

In deze krant ging Lamyae Aharouay op zoek naar de Gewone Nederlander („Wie is dat eigenlijk?”) en ook andere media besteedden het afgelopen jaar opmerkelijk veel aandacht aan deze landgenoot.

Wie de Gewone Nederlander is, en wat hij of zij precies wil, is elders onderzocht; ik beperk me hier tot enkele taalkundige observaties.

Eerst de vraag: sinds wanneer kennen wij de Gewone Nederlander? Bij mijn weten is deze woordgroep in 1859 voor het eerst opgetekend en wel in een taalkundige observatie in het Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad. Volgens de schrijver van een ingezonden brief had een bestuurder in Nederlands-Indië een slechte formulering gebruikt. „Zijn Nederduitsch”, sneerde de brievenschrijver, „gelijkt veeleer de taal van Irokezen of Siamezen, dan die van gewone Nederlanders, omdat men juist het omgekeerde moet afleiden van hetgeen blijkbaar geschreven staat.”

De uitdrukking lijkt indertijd niet erg gangbaar te zijn geweest. In de decennia daarna lezen we onder meer over „de gewone Nederlander in de koloniën” (1872) en „de gewone Nederlander die al zijn energie noodig heeft voor politieke kibbelarijen” (1878).

Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw wordt Gewone Nederlander – verder GN’er – een min of meer gangbare typering. De GN’er onderscheidde zich indertijd onder meer van de hooggeplaatste Nederlander. Zo schreef de krant Tubantia in 1907: „De excursie had ten doel de bezichtiging van de vorstelijke bezittingen, uitgestrekte buitengoederen, die anders voor de gewone Nederlanders steeds gesloten zijn.”

Lees ook het interview met Sybrand Buma in het laatste deel van de serie over ‘de gewone Nederlander’van columnist Lamyae Aharouay: Zeg, Sybrand, hoe zit het met die Gewone Nederlander?

Bij mijn weten deed de GN’er in 1926 zijn intrede in het Nederlandse parlement, andermaal in een taalkundige kwestie. In een discussie maakte een Kamerlid van de Christelijk-Historische Unie (CHU) de minister van Financiën erop attent dat zijn ministerie steeds vaker onderwerpen aansneed en dat „terwijl een gewone Nederlander een ham aansnijdt”. Sindsdien is de GN’er vaak in het parlement ten tonele gevoerd.

De GN’er staat natuurlijk niet alleen onder die naam bekend. Je kunt je afvragen of Jan de arbeider, Jan Boezeroen, Jan Patat en Jan met de pet tot de categorie Gewone Nederlanders behoren.

Er bestaat nog geen heldere definitie van de GN’er, maar onder Jan met de pet etc. verstaan we meestal ‘de gemiddelde arbeider, de kleine man’. Terwijl de GN’er meestal bij de middenklasse wordt ingedeeld. Bij Jan Modaal dus, een woordgroep die in 1976 voor het eerst is opgetekend.

Opmerkelijk is dat eerste GN’ers allemaal mannen waren. Later is dat gecorrigeerd. Naast Jan Modaal kwamen Janneke, Mien en Miep Modaal. Toen ze kinderen kregen, werden ze aangeduid als de familie Modaal, met als buren de Familie Doorsnee – naar een hoorspel uit 1952-1958. Als stelletjes kennen we onder meer Jut en Jul (al bekend sinds het midden van de negentiende eeuw) en Sjonnie en Anita (sinds circa 1985), maar die zijn respectievelijk nogal sullig en ordinair. Aan Geert Wilders danken we het Vinex-koppel Henk en Ingrid.

Alles bij elkaar hebben de GN’ers duidelijk meer familie dan de BN’ers, een bevolkingsgroep die de afgelopen decennia veel nauwkeuriger in kaart is gebracht.

Luister ook naar onze politieke podcast over ‘de Gewone Nederlander’:

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders

Correctie (27 december 2017): In een eerdere versie van dit artikel stond dat de ‘Familie Doorsnee’ een strip uit 1981 was, terwijl het om een hoorspel uit 1952 gaat.

    • Ewoud Sanders