Opinie

    • Jannetje Koelewijn

En maar denken dat je vader niet kan sterven

Mijn vader ging zo vaak bijna dood, niemand geloofde meer dat hij echt een keer zou gaan. Zelf dacht hij sowieso dat hij onsterfelijk was. Hij roste in zijn scootmobiel door de stad, gokkend dat andere weggebruikers wel zouden stoppen. Hij nam de trein naar Den Bosch en reed over Zwolle terug. „Moorddag gehad! Fabelachtig! En iedereen helpt je, hè. Geen enkel probleem.” Hij was 88 en bijna blind en kon nauwelijks meer op zijn benen staan. Bloeddruk en suikerspiegel lieten zich sinds mijn moeders dood door geen medicijn nog stabiliseren.

Zo werd het zondag 10 december. We dronken koffie in de brasserie van het huis waar hij woonde en hij zei: „Ik heb een stem om cokes te kloppen.”

„U praat ook anders dan normaal”, zei ik. „Alsof u achter adem bent.”

„O ja? Nou, dat is niet zo, hoor. Ik ben niet achter adem.”

„Denkt u dat u koorts heeft?”

„Nee, hoor. Zeker niet.”

„Ik zit wel te denken, vader, als u longontsteking heeft…”

„Longontsteking?”

„Dat kan, hè.”

„Alles kan.”

„Of zegt u: geef mij die longontsteking maar?”

Hij lachte hartelijk en sprak van een mooie oplossing, want hij zag op tegen een „eventueel lang slepende affaire”, daar had hij „een hekel” aan. Daarna keek hij naar buiten en begon over het weer. En over de nieuwe dienstregeling van de NS.

Nog geen dag later zitten mijn jongste zusje en ik op de spoedeisende hulp en staren we naar de monitor boven zijn bed. Alle waarden kachelen naar beneden, alle artsen zeggen dat ze zich „grote zorgen” maken, waarna ze ons vol empathie de hand schudden. Maar wij? Wij blijven denken dat hij zo wel zal opknappen, niks aan de hand, gewoon een flinke hypo, flesje cola erin en hij gaat weer.

„Meneer Koelewijn?” De hoofdarts. Ze haalt het zuurstofkapje van zijn gezicht. Ogen open, ughe, ughe. „Meneer Koelewijn?” Kapje op, kapje af. „We kunnen u antibiotica geven en kijken of u de bocht nog een keer maakt. Wilt u dat?” Ze houdt haar oor bij zijn mond en hij zegt: „Doen we.”

Drie zakken vol krijgt hij, en water, heel veel water, door een infuus, met suiker en zout. En wij praten met hem over Antwerpen en Maastricht, waar zullen we volgende week eens naartoe? Hij lacht en vouwt zijn handen als in gebed en wil dat we hem op zijn zij draaien. Pas uren later appen we onze oudste zus en onze broers dat ze toch maar beter kunnen komen. En tot onze stomme verbazing blaast hij tegen middernacht zijn laatste adem uit.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) vervangt Jutta Chorus.
    • Jannetje Koelewijn