Een onnavolgbaar geheim van muziek, stem en woord

een Lied van mahler

Het is niet alleen de muziek, en niet de simpele, beetje kinderachtig romantische tekst. Hoe kan het dat ze samen toch zo ontroeren?

Gustav Mahler foto moritz nehr

Zo’n zaterdagochtend, radio aan, krant voor je, buiten druppen de bomen in het grijs seizoen – en ineens druppen ze op de krant. Want in ‘Een goede morgen met’ laat Dirk van Delft Mahlers ‘Die zwei blauen Augen von meinem Schatz’ horen, lang geleden gezongen door Janet Baker.

Dat de blauwe ogen van haar lief haar de wereld in hebben gestuurd, zingt ze zonder enige inleiding en dan gebeurt het. Als je zou weten wat ‘het’ is. Door de muziek en haar stem en het uiterst rustige tempo word je meegevoerd naar een onbekende plaats in jezelf waar alles ontroerd wordt door krachten die je niet begrijpt.

Wat is toch het geheim van liederen, onnavolgbaar amalgaam van muziek, stem en woord? Ze zijn het menselijkste gezicht van de ongrijpbare god van de muziek.

„Dit is de mooiste uitvoering die ik ooit heb gehoord”, beweer ik. Daar zal het door komen. En meteen ga ik andere uitvoeringen luisteren: Thomas Hampson, dan Dietrich Fischer-Dieskau, Anne Sofie von Otter. Ze blijken ook allemaal de mooiste uitvoering ooit gezongen te hebben.

Even meen ik te weten dat ‘het’ vooral de muziek is, de gedempte klank van een trom, een harp, de bijna schmierende violen in het laatste deel, allemaal zo typisch Mahler. Da mußt’ ich Abschied nehmen vom allerliebsten Platz! zingt de stem, en een paar omfloerste koperblazers bevestigen het bijna onhoorbaar, waardoor het niet melodramatisch klinkt, maar pijnlijk. Als ik wegga, in de stille nacht, benadrukken zachte trommelslagen dat het stil is, ze zijn mijn bijna onhoorbare voetstappen, mijn pijn in het hart. Want dat is dan ook al gebeurd: dat je het zelf bent die al deze gevoelens heeft, al zit je gewoon aan de tafel en ga je beslist niet weg.

De tekst is echt geen poëtisch hoogtepunt, die is simpel en een beetje kinderachtig romantisch: O Augen blau, warum habt ihr mich angeblickt? Eigenlijk maakt dat zo’n ontroering nóg onbegrijpelijker en toch doet de tekst volop mee, want dezelfde muziek zit in Mahlers Eerste symfonie (in het derde deel) en daar is het wel een mooie passage, maar net iets minder hartbrekend.

Het lied begint in E-mineur en eindigt in F-mineur en daartussenin is alles veranderd. Het leven doet pijn aan het Winterreise-achtige begin: mijn Schatz wil niets van mij weten en ik moet de wijde wereld in. Niemand zei me gedag. Ach, hoe klaaglijk klinkt het ‘Ade, ade, ade’.

Alweer de Winterreise indachtig, staat er aan de straat een lindeboom, maar anders dan de winterreis die eindigt bij de dood, sneeuwt hier de lindebloesem een wonderlijke vrede op mij neer: „Da wußt’ ich nicht, wie das Leben tut” want zo blijkt het leven soms te kunnen zijn: alles was weer goed. Alles: „Lieb und Leid und Welt und Traum.”

En daar, onder de linde, waar harmonie heerst in mineur, daar ben je nu zelf ook, in het lied, in de muziek en hier aan de tafel met de krant.

    • Marjoleine de Vos