Zoenen na het gebed

Deze week verkent verboden liefdes. Deel 5 (slot): moslima is verliefd op moslima.
Illustratie Anne van Wieren

We treffen elkaar bij de ov-poortjes van Utrecht Centraal. S. (24) schudt me geen hand. Ik ben immers man en zij een gehoofddoekte Turks-Nederlandse vrouw.

Om buiten te komen moeten we de tergend lange weg door winkelcentrum Hoog Catharijne afleggen. Er hangen groepjes jongeren tegen schoongepoetste etalages die ons lange blikken toewerpen. „Hé abla (zus), waar is je moeder?” roept een gast in trainingspak haar na. S. heeft broers noch neven.

„Kwestie van tijd voor mijn ouders opbellen”, mompelt ze gespannen. „Ze weten niet waar ik ben. Ik mag ’s avonds niet alleen weg. Als ze erachter komen dat ik met een man ben, zwaait er wat.”

Haar onvrijheid drukt mij de keel dicht.

„Ik zou graag met losse haren willen lopen”, vervolgt ze. „Ik kan me niet herinneren hoe het voelt de wind in m’n haren te voelen. Ik ben sinds m’n zesde gesluierd. Mijn ouders zijn bang voor onze naam en reputatie. Op Facebook en op straat krijg ik nu al commentaar als er per ongeluk wat haar langs m’n sluier piekt. Moet je de reacties voorstellen als ik de hoofddoek afdoe, alsof ik met die stof ook mijn geloof afwerp.”

Hoofd naar beneden. De roltrap af. Eindelijk buiten. Op een terras verstopt in een zijstraat van de binnenstad, met niets dan witte mensen drinken we thee.

„Ik heb een Somalische vrouw ontmoet. Ik ben verliefd.”

Ik verslik me.

„Ze is prachtig.”

Ik geloof haar direct.

„Hoelang weet je het al?”

„Dat ik op vrouwen val? Sinds m’n twaalfde. Heb er nooit naar gehandeld hoor. Niemand weet dit. Je begrijpt…”

Het kamp in groep acht van S. betrof de kleine hadj – de umrah – naar Mekka. Iets wat in haar eigen woorden overigens een prachtige ervaring was. Ze is diepgelovig, bidt vijf keer per dag, is maagd en van plan dat tot de huwelijksnacht te blijven. Maar wat ze ook probeert, ze valt niet op mannen.

„Voelen je gevoelens voor haar zondig?” „Onze eerste kus volgde na het gebed. Schouder aan schouder. Ze is moslim. Draagt ook een hoofddoek. We bleven even zitten. Keken elkaar aan. Toen vonden onze monden elkaar. Alsof het gebed een andere vorm vond. Zo warm. Zo zacht. Ik sidderde en dacht: dit is de liefde zoals ze zijn moet. Ik heb altijd geweten dat Allah me zo gemaakt heeft.”

Dan betrekt haar gezicht. „Hoe moet dit? Ik kan al niet met een donkere man thuiskomen, laat staan met een vrouw.”

Je mag niet eens naar buiten, denk ik, maar ik houd m’n mond.

„En zij?” „De chemie was zo sterk. Een spirituele connectie. Ik heb het gevoel dat ze me dichter bij Allah brengt. We hebben onze gevoelens naar elkaar uitgesproken. Toen is ze geschrokken naar huis gegaan. ‘Wat zijn we aan het doen? Dit kan niet, haram!’ Dat is nu drie maanden geleden, ik heb sindsdien niets meer van haar gehoord.”

Ze wordt gebeld. „Ik moet gaan.”

In de haast brand ik mijn tong aan de thee. Ik had ook liever bier gewild, maar als de ouders van S. daarachter komen, heeft ze nog meer uit te leggen.

Mounir Samuel schrijft en spreekt onder meer over gender en diversiteit. De naam van S. is om privacyredenen geanonimiseerd.