Opinie

    • Caroline de Gruyter

Pas op: de grenzen komen terug

De nieuwe regering in Oostenrijk, een coalitie van conservatieven en extreem-rechts die vorige week werd geïnstalleerd, komt meteen met het onzalige plan om sommige inwoners van Zuid-Tirol het Oostenrijkse staatsburgerschap aan te bieden. Daarmee rakelt ze een oud grensconflict met Italië op dat juist de laatste decennia langzaam was gesmoord. In een tijd waarin populisten alles doen om mensen tegen elkaar op te zetten, politieke gemeenschappen af te bakenen en afzonderlijke identiteiten op te fokken, is deze ontwikkeling ook voor de rest van Europa niet zonder belang. Overal in Europa staan ‘grenzen’ weer op de agenda.

Zuid-Tirol, hoog in de Dolomieten, maakte eeuwenlang deel uit van het Habsburgse Rijk. In 1919, na het uiteenvallen van het keizerrijk, werd het toegewezen aan Italië. Decennialang klaagden de Duitssprekenden dat Italië geen consideratie had voor hun taal en cultuur en hen slecht behandelde. In de jaren zestig leidde dit zelfs tot een serie terreuraanslagen. Maar mede onder druk van de Europese Unie heeft Italië Zuid-Tirol verregaande autonomie verleend. Ook werd de grens tussen Italië en Oostenrijk uitgegumd, door Schengen, en maakte het wat minder uit in welk land de Zuid-Tirolers leefden. Hoe sterker Europa, hoe zwakker de natiestaat.

De extreem-rechtse Oostenrijkse partij FPÖ heeft nooit verbloemd dat zij het zeer welvarende Zuid-Tirol dichter bij Oostenrijk wil halen. Norbert Hofer, nu minister, bepleitte in 2016 als presidentskandidaat „de inbedding van Oostenrijk in de Duitse cultuurgemeenschap” in Zuid-Tirol. Afgelopen zomer verspreidde de partij brochures onder scholieren, met landkaarten waarop Zuid-Tirol doodleuk bij Oostenrijk is getrokken. Praktisch gesproken heeft het plan, waarin gerept wordt van „Volksgruppen”, weinig impact. Alle EU-staatsburgers, ook Italianen, kunnen naar Oostenrijk verhuizen als ze dat willen. Het venijnige is dat alleen Italianen wier families al vóór 1919 in Zuid-Tirol woonden, dit staatsburgerschap aangeboden krijgen. Wat dit dus vooral doet, is in een buurland etnische groepen tegen elkaar opzetten. Precies waar ze op de Balkan zo goed in zijn. De Italiaanse onderminister Sandro Gozi noemde het plan „willekeurig en zinloos”.

Na de Eerste Wereldoorlog werden overal in Europa grenzen veranderd. Daarna nauwelijks meer. Na de Tweede Wereldoorlog werd vooral met mensen geschoven om etnische homogeniteit te bereiken. Grenzen in Europa zijn een eeuw lang ongeveer gebleven waar ze waren. Tegenwoordig wordt er met kapitaal, goederen en ideeën geschoven, niet met grenzen. Francis Fukuyama voorspelde dit, in zijn essay over het eind van de geschiedenis, in 1989. Maar bij Fukuyama bleven mensen thuis. Dat grenzen zo onbeduidend zouden worden dat ook mensen er vrijelijk overheen zouden gaan, of dat er migratiegolven zouden komen, voorzag hij niet. Veel Europeanen veranderen nu liever van land dan dat ze hun eigen regering veranderen. Doordat mensen makkelijk migreren, komt de roep naar duidelijke grenzen als een boemerang terug.

Grenzen gaan over de afbakening van politieke gemeenschappen. Over identiteit. Over wie erbij hoort en wie niet. Dat tonen Catalonië, Schotland, Slovenië en Kroatië met hun grensgeschil, en nu Oostenrijk dat het vuurtje in Zuid-Tirol eens lekker oppookt. Is dit het Europa waarnaar we terug willen? Vol uitsluiting, hatelijkheden en opgefokte grensconflicten? Europees Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker zei dinsdag dat hij er „redelijk vertrouwen in heeft” dat de nieuwe Oostenrijkse regering pro-Europees is. Waar haalt hij het vandaan?

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.
    • Caroline de Gruyter