Directeur Ida

Niemand die haar nu nog kent, maar in de Volksuniversiteit aan de Heemraadssingel hangt nog altijd haar portret: Ida van Dugteren. Zo’n honderd jaar geleden kreeg zij de leiding over de net opgerichte Rotterdamsche VU. En ze bleef tot 1959.

In toespraken op de drukbezochte jubileumreceptie werd vaak haar naam genoemd, en sommigen vertelden erbij dat ze nooit de titel directeur kreeg, ofschoon ze drijvende kracht was. 61 jaar lang bleef Van Dugteren ‘slechts’ secretaresse van het bestuur. Zo ging dat in ongeëmancipeerde tijden.

Maar gelukkig wordt Van Dugteren nu recht gedaan met het mooie boek Honderd jaar Rotterdamse Volksuniversiteit (auteur: Sanneke van Hassel, fotografie: Carel van Hees), dat op het eeuwfeest werd gepresenteerd. Om het volk te verheffen – dé doelstelling van de VU – was Van Dugteren graag bereid haar baan als medewerker van de Amsterdamse SDAP-wethouder Floor Wibaut op te zeggen, en naar Rotterdam te verhuizen.

De VU was meteen een succes en trok in het eerste jaar al 3.800 cursisten. Ze leerden er over bouw- en schilderkunst, Griekse tragedies en architectuur (docent: H.P. Berlage). Van Dugteren organiseerde de meeste cursussen zelf, en daarnaast programmeerde ze toneel, concerten en exposities. Met de toestroom van arbeiders wilde het in die beginjaren niet erg lukken, omdat het lesniveau te hoog was. Het waren vooral middenstanders en vrouwen die naar de VU kwamen. „Meer nog dan in de verheffing van de arbeider speelt de VU in die tijd een rol in de emancipatie van de vrouw”, is de conclusie in het boek.

En hoe is het nu? Op de receptie liet vicevoorzitter van de VU, Rob Fens, doorschemeren dat ‘zijn’ instituut sinds 1917 ten diepste niet is veranderd. „Ons doel is nog altijd goed burgerschap, wat vroeger volksverheffing heette. We geven nu bijvoorbeeld NT2-cursussen, taalonderwijs aan nieuwkomers. In de hoop dat zoveel mogelijk mensen kunnen meedoen in de complexe wereld van de 21ste eeuw.”

En zo is het ideaal van Ida van Dugteren honderd jaar na dato nog steeds springlevend. Met het prachtboek onder de arm wandelde ik naar het portret dat Paul Citroen van haar maakte, en prevelde eerbiedig: „Gegroet, directeur!”