Opinie

    • Tom-Jan Meeus

De man die de formatie redde praat over zijn maand achter de coulissen

Deze week: een terugblik met Herman Tjeenk Willink.

Ofwel: over zijn maand als informateur én zijn kritiek op het regeerakkoord.

Er was de foto van zijn vertrek. Die dag, 28 juni, was de stemming op het Binnenhof opgeruimd. Informateur Herman Tjeenk Willink (75) had dertig dagen nodig gehad om de politiek leiders te disciplineren.

Dankzij hem was eindelijk alles duidelijk: een coalitie van VVD, CDA, D66 en CU was de enige uitweg uit de impasse.

Halverwege de avond, het had geregend, het begon te schemeren, zag een ANP-fotograaf dat een man in donkerblauw kostuum de Stadhouderskamer verliet.

Het was Tjeenk Willink, die op een verlaten Binnenhof met zijn fiets langs de dranghekken liep: de redder van de formatie vertrok in totale stilte.

„Je zag dat niet op die foto, maar ik was vooral opgelucht”, zei hij over dat moment. „Ik had de ambitie méér te doen dan alleen wie-met-wie. Dat was echt moeilijk. Een heidense klus.”

In veel opzichten was zijn bijdrage aan de politiek de interessantste van het jaar. Eens te meer bewees hij dat de regeringsvorming bestuurlijke routine van buiten nodig heeft. Opnieuw bleek dat zijn kritiek op het bestel, verwoord in een bijlage bij zijn eindverslag, tot ver buiten Den Haag resoneert.

Een dubbelzinnigheid die in zijn hele werkzame leven zit: als topambtenaar op Algemene Zaken, voorzitter van de Eerste Kamer, vicepresident van de Raad van State en informateur werkte hij sinds de jaren zeventig in een bestel waarvan hij tekortkomingen agendeerde. „Je moet niet alleen in het systeem werken, ook aan het systeem.”

„Dan hoor ik: zijn analyses zijn zo abstract”, zei hij. „Ik heb dat eens opgezocht, volgens Van Dale is abstract: los van de werkelijkheid. Ik dacht: ze hebben gelijk. Ik bekijk óók de niet-Haagse werkelijkheid.”

Hij was deze zomer zeer welkom. Klaver was afgehaakt. Pechtold en Segers wilden niet samen. De SP wilde niet met de VVD. De PvdA wilde überhaupt niet. Het leek hopeloos.

Zijn komst had ook symboolwaarde. Het nieuwe formeren sinds 2012, zonder rol voor het staatshoofd, vergroot de partijpolitieke invloed, vooral voor de fractievoorzitter van de grootste partij.

Het aanzoek aan buitenstaander Tjeenk Willink draaide dit ten dele terug. ,,We nemen weer elementen van de oude werkwijze over.”

Het werk van een informateur, zei hij, is dat „je partijen tot een gezamenlijke conclusie brengt die ze zonder jou niet willen of kunnen bereiken”. Weinigen hebben daar meer ervaring mee dan Tjeenk Willink – sinds 1994 was hij, als adviseur of informateur, bij alle acht formaties betrokken.

In de jaren zeventig was hij bovendien secretaris/notulist bij de formaties van Den Uyl I (gelukt) en II (mislukt). Jan Terlouw schreef destijds een gedicht over zijn houding in de binnenkamer:

Hij was getuige van het grote treffen, van de verwarring, van de verstarring

Hij had zijn overtuiging maar zijn blik bleef effen’. „Dat is de rol van de ambtenaar”, zei hij. „Loyaal en dienstbaar.”

Een van zijn vroegste formatielessen leerde hij van Ruppert, informateur in 1972. Geef politici ruimte. Laat ze ademen. „Voorkom altijd dat iemand zich gedwongen voelt te snel ja te zeggen. Dan zegt hij neen.”

Hij had als PvdA’er verwantschap met Den Uyl maar zag diens tekortkomingen. „Den Uyl onderhandelde niet over een compromis, hij wilde daar anderen van overtuigen. Ik heb ervan geleerd dat je mensen in hun waarde moet laten: gun ze hun eigen inbreng.”

Bij zijn eerste keer als informateur, in 1994 voor Paars I, was er een fase „dat ik niet meer wist hoe ik verder moest”. Een leermoment. „Je moet altijd één of twee stappen vooruit zijn. Als ze bij B zijn, moet jij C en D in je hoofd hebben.”

Elke formatie begint bij de vorige: de trage van 2017 was een reactie op de razendsnelle van 2012. Nog steeds, bleek in het gesprek, kon Tjeenk Willink gepijnigd kijken als hij op de onderhandelingen van deze zomer terugblikte.

„Het was soms zo verrotte ingewikkeld”, zei hij dan.

Het interessante was: in de maand van zijn informateurschap merkte ik dat onderhandelaars onverholen bewondering voor hem kregen. Voor zijn honger naar feiten bijvoorbeeld: verbluft zagen ze dat Tjeenk Willink medewerkers zelfs Europese hoofdsteden liet afbellen om op het immigratiedossier elke twijfel uit te sluiten.

Feitelijk inzicht, zei hij, is elementair voor een informateur. „Je moet altijd oppassen voor de afgrond die we voor anderen achteraf zo uitstekend weten te analyseren”, zei hij met lichte ironie.

Vandaar dat hij elke stap vastlegde. Systematisch werken. Zo liet hij Rutte en Buma op papier zetten dat zij samenwerking met Wilders principieel uitsloten. „Je moet de totstandkoming van het eindresultaat achteraf stap voor stap kunnen nalopen.”

Hij kon ook opgetogen zijn over de politici met wie hij werkte. „Ze akkerden zes maanden door, zonder noemenswaardige crisisverschijnselen. Gezegend het land met zulke integere en aardige politici.” Wat een geduld. „Die vier hebben álles door geakkerd. Dat mensen dat dóen!”

De paradox is: uitgerekend hun eindresultaat, het zoveelste dichtgetimmerde regeerakkoord, is hem een doorn in het oog – omdat daardoor debat uitblijft dat volgens hem hoognodig is.

De crisis van het bestel, het verloren contact van overheid en burgers, ontstond in zijn ogen toen er geen bestelvernieuwing na de ontzuiling kwam. In plaats daarvan bracht Lubbers depolitisering. Hij koos voor afstoten van taken en verhoging van efficiëntie: de overheid als bedrijf, de burger als klant.

Het bracht meer regels, ingewikkeldere formulieren – een groeiende afstand met de burger, zei hij.

Een mondiaal verschijnsel. In die bijlage bij het regeerakkoord gaf hij de Britse film I, Daniel Blake als illustratie: een 59-jarige man die zichzelf na een hartinfarct volledig verliest in de bureaucratie.

„Het zegt alles dat mensen nog steeds weemoed hebben naar Jan Schaefer: ‘In gelul kun je niet wonen.’ De democratische rechtsstaat is er niet meer voor een deel van de burgers.”

Daarom zou het parlement méér politiek debat moeten voeren, „om de democratie te legitimeren”. Een les van Den Uyl: „Politiseren om maatschappelijk conflict te depolariseren.”

En juist dichtgetimmerde regeerakkoorden belemmeren dit. „In de Kamer bespreek je dan alleen instrumenten, niet de conflicten – de feiten en waarden die eronder liggen.”

Dus als hij het regeerakkoord van Rutte III leest denkt hij: „Wat is de relevantie, de politieke controverse? Waar schuurt het?”

Vandaar dat Herman Tjeenk Willink, ondanks zijn vele opbouwende bijdragen aan de regeringsvorming, blijft benadrukken dat regeringen tegenspraak en tegenmacht nodig hebben. Fight the power.

„Ik kan héél boos worden”, zei hij, „als blijkt dat alleen de meest competente burgers nog begrijpen wat de overheid van ze wil.”

En dat alleen de meest competente controleurs de overheid nog doorzien. „Bij onderzoeken zei Saskia Stuiveling altijd: leg de laatste ambtelijke notitie aan de vorige minister naast de eerste aan de nieuwe minister. Scheelt miljoenen.”

Dus blijft hij hameren op het belang van tegengeluid. „Macht zonder tegenmacht is absolute macht. Samenspraak zonder tegenspraak is een monoloog.”

Ook daarom laakte hij in die bijlage de gebrekkige belangstelling van politici voor de uitvoerbaarheid én de uitvoering van overheidsbeleid. En benadrukte hij dat de gebreken in de uitvoering (bij de belastingdienst, de politie, de pgb’s, etc.) een politiek probleem zijn, en dat bewindslieden zich daartegen niet moeten beschermen met meer communicatiemedewerkers en toezichthouders, maar met interesse en oplossingen.

Ik zei: toen de Kamer over uw eindverslag debatteerde, complimenteerden ze u allemaal – maar niemand begon over die bijlage.

„Dat bewijst alleen maar de juistheid van mijn analyse”, zei hij kalm.

    • Tom-Jan Meeus