Daar zitten we dan, midden in de zeepbel

Oververhitting De economie bruist, de werkloosheid keldert, het optimisme héérst. Maar wat is echt en wat is een zeepbel?

De verbazing duurde hooguit een paar uur. Volgens de advertentie van de makelaar was het een „instapklaar appartement met een groot dakterras” in de Amsterdamse wijk de Pijp. Volgens anderen een zolderkamer op de vierde verdieping van 23 vierkante meter. De vraagprijs was 200.000 euro. Eenmaal, andermaal… verkocht. Alsof dit de laatste koopflat was.

Zo ging het dag in, dag uit. Is het duur? Morgen is het nog duurder. De toekomst wenkte en fluisterde. Kopen. Kopen. Kijk maar. Een duurzaam lage rente. Weinig inflatie. Bruisende economische groei.

Waarom ook niet? Het vertrouwen van Nederlandse consumenten én van producenten tikt tegen recordstanden aan. De werkloosheid in de meest productieve leeftijdsgroep, tussen 25 en 45 jaar, was in november 3,5 procent (februari 2014: 6,9 procent). Een recordaantal mensen denkt dat de werkloosheid verder daalt.

In Duitsland, onze grootste afzetmarkt, dendert de economie door. In de eurozone bereikte de barometer van het economisch vertrouwen een stand die voor het laatst was genoteerd in 2000.

Kortom: dit was een Prince-jaar. So tonight I’m gonna party like it’s 1999. Weet u nog? Het jaar dat huizenhoge verwachtingen van internet de wereld overrompelden, de ‘nieuwe economie’ alles zou veranderen en beurzen door het dak gingen. Het Robeco-beleggingsfonds boekte toen 62 procent rendement. Een unicum.

Dat soort tijden zijn zeldzaam. U boft. U zit er middenin. Midden in een zeepbeleconomie. Dat is een economie waarin de prijzen van bezittingen worden opgeblazen tot voorbij eerdere recordhoogtes. Huizen. Bitcoins. Aandelen. Kantoren op eersteklas locaties, van de Amsterdamse Zuidas tot in het zakencentrum van Hongkong. Maar ook kunst, zoals de vermeende Da Vinci Salvator Mundi (à 450 miljoen dollar). Of complete bedrijven.

De stijgende waarde van de bezittingen werkt als vliegwiel in de economie. Mensen kopen gemakkelijker een huis. Dat betekent werk voor makelaars, verhuizers, bankadviseurs, keukenboeren en doe-het-zelfwinkels. Dat levert echte inkomsten op, die op hun beurt de economie stimuleren. Een kwart van de economische groei vanaf 2013 van meer dan 10 procent komt voor rekening van de huizenmarkt, becijferde De Nederlandsche Bank maandag. Maar ook wie niets (ver)koopt, gaat zich vanzelf rijker voelen. En meer uitgeven. Wie zich rijk voelt, maakt makkelijker schulden, die op hun beurt tot extra bestedingen leiden.

Hunkeren

Een zeepbeleconomie klinkt als iets waar u zich verre van moet houden. Voor je weet doet-ie … pats. Maar u kunt het niet negeren. Sterker nog. De zeepbel wordt mogelijk gemaakt en die prijzen worden verder opgeblazen door mensen zoals u en ik, door buren en collega’s. Door mensen die hunkeren naar meer rendement dan de 0,05 procent op hun spaargeld.

Ook als we zelf niet in aandelen of huizen beleggen, doet ons pensioenfonds dat wel. Ook als we zelf geen bedrijven kopen, steekt onze bank misschien wel geld in een private-equityfonds dat bedrijven koopt. Ook als we zelf geen huizen kopen, geeft de bank waaraan wij ons spaargeld hebben toevertrouwd wél krediet aan prinsen en anderen die dat wél doen.

De zeepbeleconomie is big business. Grote fusies en overnames zijn aan de orde van de dag. Waaghalzen grijpen hun kans. Vergelijk het met 2000: de overname van uitgever Time Warner door internetaanbieder AOL. Nu zie je het bod van de Amerikaanse chipmaker Broadcom op concurrent Qualcomm, dat op zijn beurt al een bod had gedaan op de Nederlandse fabrikant NXP. Totaalwaarde van deze transactie: 130 miljard dollar.

Een zeepbeleconomie klinkt als luchtfietserij. Als bellen blazen. Maar het is de echte economie. In een zeepbeleconomie kun je de papieren winsten op een huis of een belegging gewoon omzetten in contant geld. Neem het voorbeeld van Dik Wessels, de bouwondernemer uit Rijssen, die vorige maand is overleden. Hij was met een geschat vermogen van 4 miljard euro nummer drie op de lijst van Quote van de 500 rijkste Nederlanders. Op het hoogtepunt van de vorige zeepbeleconomie, begin 2000, verkocht Wessels zijn aandelen in internetbedrijf World Online. Hij verdiende daar zo’n 600 miljoen euro mee. Dat was, vermoedelijk, meer dan hij de dertig jaar daarvoor aan dividend van zijn bouwbedrijf had ontvangen.

De splijtzwam

De zeepbeleconomie blaast vermogens op en vergroot de verschillen tussen bezitters en bezitlozen. Het is een splijtzwam. Financieel vermogen, zoals een huis of een belegging, rendeert vele malen meer dan het menselijk vermogen om te werken. De prijs van arbeid stijgt wat meer dan 2 procent, blijkt uit de cao-akkoorden. Daar doen ze het op de huizen en bitcoinmarkt niet voor.

Is dat nieuw? Nee, sinds de liberale maatschappelijke revolutie in 1979-’80 (toen Thatcher en Reagan de verkiezingen wonnen), China zijn economie liberaliseerde en de Berlijnse Muur viel, zie je eigenlijk maar één trend: het rendement op vermogen ligt op langere termijn boven het rendement op werk. De grote bankencrisis van 2008, die volgens sommigen het einde van het kapitalisme zou inluiden, heeft daar niets aan veranderd. In Nederland ligt het deel van de economische koek dat naar werknemers (de zogeheten factor arbeid) gaat al jaren onder de 75 procent. Het overige gaat naar winst en rente (de factor kapitaal). Dertig jaar geleden gold de verhouding 80-20 in de sociaal-economische politiek als evenwichtig. Dat is geruisloos losgelaten.

Deze breuk geeft het feestnummer van Prince een gevaarlijke lading. Het voelt als dansen op een vulkaan. De huizenhausse en de bitcoinmanie verraden vuur en drift. Woest kopen. Angst om de boot te missen. Straks is de voorraad op, of stijgt de rente, of zijn anderen rijk geworden dankzij de bitcoin en jij niet.

Dat is de beangstigende kant van die zeepbeleconomie. Een beeld dat me doet denken aan het citaat van een Amerikaanse commandant in de Vietnamoorlog. „We waren genoodzaakt om de stad te vernietigen om ’m te redden.”

Stootje

Het woord vernietiging hoeft u niet letterlijk te nemen, want de samenleving en het kapitalisme kunnen wel tegen een stootje. Maar toch.

Hoe zeker weten we, of moet je zeggen: gelóven we dat het onheil van 2008 en later is afgewend. Of zit de angst voor herhaling er nog goed in? Dit was óók het jaar van de ‘feestelijke’ herdenking van eerdere financiële crises. De crash van 19 oktober 1987 toen de Dow Jones-aandelenindex bijna 24 procent kelderde. Het terugblikken op de grote bankencrisis van 2008 is al begonnen.

Zijn de crises – de bankencrisis, de economische crisis, de eurocrisis – dan echt voorbij? Dat kan toch bijna niet? Wie een politiek-economische discussie wil platslaan, vraagt hardop: maar hebben we dan niets geleerd van de crisis?

De angst voor een herhaling is begrijpelijk. Deze zeepbeleconomie kon mede ontstaan door de geldpolitiek van de centrale banken. Dat was hun recept tegen die crises. Met de ultralage rente die de Europese Centrale Bank orkestreerde, heeft de euro de crisis doorstaan. Daardoor is de EU niet gespleten.

ECB-voorzitter Mario Draghi beloofde in 2012 dat hij alle middelen zou inzetten om de euro te redden. Hij heeft woord gehouden, maar ten koste waarvan? Spaargeld is renteloos, pensioenen zijn bevroren en alles wat los en vast zit is een speculatieobject geworden. Een deel van de financiële stabiliteit en van de economische conventies is vernietigd. De zeepbeleconomie is het resultaat.