Youp van ’t Hek op het podium tijdens ‘Een vloek en eenzucht’.

Foto Bob Bronshoff

Youp weet nog steeds niet wat een goede oudejaars is

Youp van ’t Hek

Voor de negende keer vat Van ’t Hek het jaar samen op Oudejaarsavond. Misschien is het wel zijn laatste keer. „Mijn toekomst is korter dan mijn verleden.”

Youp van ’t Hek overwoog om het interview enkel in zijn badjas te doen en die halverwege het vraaggesprek open te laten vallen. „Maar ik ken je niet dus ik wist niet hoe dat zou vallen.” Zijn ogen glimmen spottend achter zijn bekende brilletje. „Tegelijkertijd kan mijn vrouw elk moment binnenkomen. Hoe moet ik dan uitleggen dat ik op iemand anders had gerekend?” Iets later belt een vriend aan, hij haalt bij Van ’t Hek kaartjes op voor de wedstrijd van Ajax. „Ik kan je niets aanbieden, ik heb een date.”

Het zijn grapjes. Antwoorden op de vraag: hoe kan je als cabaretier nog vernieuwend zijn bij een onderwerp als #MeToo? De #MeToo-discussie is volgens Van ’t Hek een afgekloven bot. „Maar ik denk dat ik wel een aantal leuke grappen heb bedacht. Waar de meeste cabaretiers rechtdoor gaan, wil ik links.”

NRC maakte een inventarisatie van de onderwerpen van de zes oudejaarsconferences dit jaar. Lees ook: In oudejaarsconferences is Baudet het nieuwe mikpunt

U vraagt in de voorstelling aan een vriend of hij ooit wel eens aan vrouwen heeft gezeten zonder hun toestemming. Heeft u wel eens iets gedaan waarvan u nu denkt: dat was niet netjes?

„Mijn broer en ik hebben gezegd dat we alle beschuldigingen bekennen. Maar ik kan van mezelf zeggen dat alle dames met wie ik iets heb gehad, hebben ingestemd met mijn handtastelijkheden.”

Hij kijkt ernstiger. „Heb je wel gelachen tijdens de show?” Van ’t Hek doet voor de negende keer de oudejaarsconference. „Ik laat de VARA weten wanneer ik er weer eentje wil maken en dan mag ik.” Toch is hij nog steeds onzeker als hem de vraag wordt gesteld: wanneer is een oudejaars goed? „Het is wel de oudejaars van Youp van ’t Hek. Ik doop de pen in mijn hart en ga schrijven. Sommige onderwerpen interesseren mij niet. Mensen vragen wel eens na mijn voorstelling: waarom heb je het niet over Rutte gehad? Of Erdogan? Ze boeiden me niet. Sowieso zit er weinig politiek in. Ik benoem wel veel politieke partijen, maar hou geen eindeloze betogen. Toen Roemer aftrad, kwam ik erachter dat ik zijn partij helemaal niet had genoemd. Misschien dat hij daarom ook wel weg moest, hij was onzichtbaar.”

Ik vraag me af: hoe lang ben ik nog houdbaar?

U begint uw voorstelling met een lied dat de slotzin heeft: ik leefde voor de grap. Aan het einde van de show zegt u ook nog: ik doe er niet echt toe.

„Aan het begin van mijn carrière, als ik een week in Zwolle speelde, dacht ik dat heel Zwolle bij mij op bezoek was geweest. Ik voelde me heel wat. Inmiddels ben ik wat ouder en denk ik: Zwolle heeft 100.000 inwoners en 5.000 gingen naar Youp. 95.000 niet. Je moet ook niet denken dat je als cabaretier echte invloed hebt. De act waarmee ik 35 jaar geleden doorbrak, ging over hebzucht en economische groei, in deze voorstelling bespreek ik dat ook weer. Er is niets veranderd.”

Hij schuift zijn stoel naar achteren en begint met zijn voet een ritme te tikken. Zijn ene hand houdt hij naast zijn hoofd, met zijn andere hand maakt Van ’t Hek grijpbewegingen. „Lenen, lenen. Betalen, betalen”, rapt hij. 35 jaar na zijn doorbraak zit de sketch er nog steeds in. Na een half minuutje stop hij.

„Als cabaretier ben je een soort repeteergeweer. Je blijft dingen herhalen. Frits Spits zei ooit in een interview tegen mij: je hebt op sommige momenten de tanker twee centimeter van koers veranderd. Dat is misschien het hoogst haalbare. Ik hoop dat mensen iets anders tegen werk en geloof aan zijn gaan kijken. Dat ze losser in het leven staan en dat ze aardiger over buitenlanders praten. Maar als ik zeg: ik doe er niet toe, bedoel ik ook dat niemand ertoe doet. Het is de doodse stilte waar Roemer binnen een maand in gaat vallen. Die hoort niets meer.”

U klinkt nu alsof u nadenkt over stoppen. Is dit uw laatste oudejaars?

„Ik hobbel al een tijdje mee. Mijn toekomst is korter dan mijn verleden. Ik vraag me af: hoe lang ben ik nog houdbaar? Wanneer stap ik het podium af? Wanneer zeg ik tegen lezers van mijn column: dit was het. Ik wil niet dat mensen gaan zeggen: schop die man van het podium af. Maar ik heb nog geen conclusie getrokken. Ik ga eerst met mezelf in gesprek.”

Als we het hebben over het verschil maken: het verhaal van Tijn ontroerde u zo, dat u wat wilde doen voor kinderen met hersenstamkanker. Na een column in NRC bent u geld op gaan halen voor een nieuwe robot die kan helpen bij de behandeling. Waarom heeft u dat met zoveel bevlogenheid gedaan?

„Weet je dat ik dat mezelf ook veel heb afgevraagd. Maar kinderen mogen gewoon niet doodgaan, dat hoort niet. Ik ken mensen die heel rijk zijn en een gehandicapt kind hebben. Zij zouden in één seconde al hun kapitaal willen opgeven voor de gezondheid van hun kind. Tijn deed ook wat met me. Ik weet nog de laatste keer dat ik hem sprak. Hij hing tegen mij aan en ik vroeg: moet je nog wat drinken knul? Hij zei: Fanta zonder prik. Ik zei: dat bestaat toch niet. Hij zei: jawel joh, je moet beter nadenken. Dat vond ik zo lief. Een week later was hij dood.”

Hij is even stil.

„Weet je wat het is? Het is natuurlijk voor een deel schuldgevoel. Heel simpel. Ik sta wat te kakelen op het podium en kan daar vijf auto’s van kopen. ‘Wat doe je zelf dan?’, vragen mensen mij wel eens. Ik vind dat ik antwoord moet kunnen geven op die vraag. Zo ben ik ook opgevoed.”

De actie ging via Stichting Semmy, waar Wendy van Dijk ambassadeur van is. U heeft in uw column haar man, RTL-baas Erland Galjaard, flink aangepakt. Hij maakt ‘kutprogramma’s’. Hoe is het dan om met haar samen te werken?

„We hebben eerst samen een moeizaam gesprek gehad. Maar ik heb niets teruggenomen. Ik vind het kutprogramma’s. De samenwerking was wel heel goed. Wendy is een schat waar ik geweldig mee heb samengewerkt.”

Ik ben ook milder geworden, dat zeg ik ook in mijn show

Heeft u geen moeite om mensen als Wendy van Dijk, Erland Galjaard of Kees van der Staaij, over wie u een scherpe column schreef en die u ook aanpakt in uw show, tegen te komen?

„Nee hoor.”

Mij werd van tevoren gezegd: je hoeft niet zenuwachtig te zijn. Hij is best aardig. Denkt u dat mensen bang voor u zijn?

„Nee. Nou, ik heb een keer met een vrouw gepraat en vroeg aan haar hoeveel kinderen zij had. Twee, zei ze. Jaren later kwam ik haar opnieuw tegen en toen begon ze te huilen. Ik vroeg: wat is er? Zei ze jammerend: de vorige keer dat ik je sprak, vroeg je hoeveel kinderen ik had. Ik heb toen twee gezegd, maar ik heb er drie. Jij hakt altijd op burgerlijke gezinnen en daarom heb ik er maar twee van gemaakt. Het voelde alsof ik er eentje dood had laten gaan. Ik vroeg toen aan haar: en welk was dat dan?”

Zet zo’n opmerking u niet aan het denken?

„Nee. Er zijn een hoop debielen op de wereld.”

Ligt dat alleen aan die debielen?

„Nou misschien ook een beetje aan mij.”

Is er een deel van uzelf dat niet het podium op gaat? Als ik zie hoe u over Tijn praat, dat u een eigen goed doel hebt voor projecten in ontwikkelingslanden, met hoeveel geduld u mensen te woord staat in interviews, dan denk ik: het is eigenlijk een lieve man.

„Als ik thuis hetzelfde zou zijn als op het podium, zou ik een triest figuur zijn. Daar wil je niet mee samenleven. Ik ben ook milder geworden, dat zeg ik ook in mijn show. Meer naar binnen gekeerd, met minder scoringsdrift. Maar je moet ook wel een beetje een sprookjesfiguur blijven op zo’n podium. Al weet ik natuurlijk dat er heel veel mensen zijn die mij juist om die scherpe toon niet leuk vinden. Mijn publiek moet om zichzelf kunnen lachen en niet denken dat ze wat voorstellen. Denk je dat wel, moet je vooral niet gaan kijken met Oudejaars.”

Dan is het publiek dus de spiegel van de cabaretier?

„Ja, dat denk ik eigenlijk wel.”

Luister ook naar aflevering 6 van onze podcast Kunst!, over het geheim van de oudejaarsconference:

    • Anouk Kragtwijk