Opinie

Vrijheid, gelijkheid en broederschap kunnen ook een glossy gebruiken

Waar gaat het eigenlijk om in het leven? Zonder geloof of ideologie lijken we hier de waarden te missen die we hartstochtelijk willen verdedigen. Maar onze manier van leven hoeft geen lege bedoening te zijn, schrijft Marjoleine de Vos.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Soms lijkt geloof het engste wat er is, een recept voor verblinding, oorlog en haat. Zouden bijvoorbeeld de jihadisten van nu, straks, als ze gepensioneerd zijn, net zo praten als die vroegere Chinese Rode Gardisten die een keer in NRC aan het woord kwamen? „Niemand van ons kan trots zijn op wat wij toen hebben gedaan, we hebben allemaal diep berouw (–) Het was een krankzinnige, immorele, verwarde tijd. We waren totaal geïndoctrineerd, wij waren als blanke vellen papier, makkelijk beïnvloedbaar, het was ziek.”

Niet onmogelijk. Je weet niet of die spijt de dingen die de mensen in hun verblinding doen des te gruwelijker maakt, of juist niet.

Timothy Snyders schrijft in zijn boek The Bloodlands, over het grote moorden in oostelijk Europa in de vorige eeuw, hoe jonge partijleden zo makkelijk wreedheden begingen omdat ze werkelijk konden geloven dat ze met de vijand te maken hadden. Propaganda van Stalin zoals dat de boeren liever honger leden (waaraan ze bij miljoenen stierven) dan te werken, dat ze uit ideologievijandigheid de oogsten lieten mislukken, graan stalen, hun families uithongerden – de jonge partijleden geloofden het. Dat ze talloze kinderen zagen sterven, boeren zagen bedelen, lege provisiekasten en doodzieke mensen tegenkwamen, bracht ze niet écht aan het twijfelen. Want ze zagen wat ze al wisten – mensen zo vijandig jegens de socialistische idealen dat ze nergens voor terugdeinsden. Beesten, alleen uit op eigen gewin.

Stalin, Mao, Hitler, om de ergsten te noemen, waren uitstekend in staat om jonge mensen te ‘motiveren’.

Waar een ideologie regeert, gebeuren altijd zulke dingen. Een sociaal of spiritueel ideaal verandert in een dictatuur en men neemt elkaar de ideologische maat, want er is er maar één, plus een paar ingewijden, die de ware zuiverheid in de gaten heeft en bewaakt. Zoals imams dat ook kunnen, IS-leiders, krijgsheren in Afrika. Maar ook de leiders van de kraakbeweging deden het zo. Macht. De lijst is eindeloos.

Wat zegt dat nu?

Ik heb altijd een geweldige hekel gehad aan beweringen als dat in iedereen ook een kampbeul verscholen zit en dat beschaving maar een vernisje is enzovoort.

Niet omdat ik denk dat beschaving een keihard pantser is, nee. Het is ongetwijfeld voor velen niet meer dan het zich aanpassen aan de geldende normen. Zoals we nu, in zo veel lichtere vorm maar toch, almaar discussies hebben over ‘wat je mag zeggen’. Idiote vragen zijn het. Je ‘mag’ van alles zeggen, maar het is zo duidelijk als wat dat het helemaal niet goed is als jan en alleman zich te buiten gaan aan ongecontroleerd gescheld. Dat kweekt een mentaliteit.

Dat schelden betekent natuurlijk ook dat die mentaliteit er al is, en de ruimte krijgt van mensen die allang niet meer jong en onbezonnen zijn, mensen die denkbeelden hebben waarbij ze die schelders, meppers, gelovigen en verblinden heel goed kunnen gebruiken. Wat de huiveringwekkende gevolgen kunnen zijn weten we allemaal best, ook de ophitsers. Zie hierboven.

Maar blijkbaar is het fijn om je over te geven aan iets, een ideaal, een idee, en dat te delen met veel anderen. De Irakese schrijver Rodaan al Galidi zei onlangs in een interview in deze krant dat Nederlanders het geweldig goed hebben, maar nergens in geloven. Dat verbaasde hem, hij leek het als een tekort te zien en daar zou hij wel eens gelijk in kunnen hebben, hoe gevaarlijk geloof ook kan zijn.

Bezoedelde idealen maar daarom nog niet stom

In haar boek Het einde van de rode mens spreekt Svetlana Alexijevitsj veel mensen die zijn opgegroeid onder het Sovjet-socialisme en van wie de meesten het kapitalisme leeg, armoedig en bespottelijk vinden. Ook als ze weten dat er heel veel verkeerd was vroeger. Zelfs als ze welvarender geworden zijn, voelen ze vooral een leegte na het afschaffen van het communisme. „Niemand zal me ervan overtuigen dat het leven alleen bedoeld is om lekker te eten en te slapen”, zegt een vrouw. „Dat je een held bent als je op de ene plek iets koopt dat je verderop doorverkoopt voor drie kopeken meer.”

Toen ze nog iets hadden om in te geloven, waren ze bereid tot grote ontberingen. Nu is het enige wat van ze gevraagd wordt om mee te doen aan een wereld waarin het gaat om bezit, om kopen en verkopen, om een nieuw koffiezetapparaat in plaats van om een nieuwe bundel verzen van Anna Achmatova. Achteraf zeggen ze dat ze gelukkiger waren met de uiterst eenvoudige levens van toen dan met wat ze nu hebben. „Het was misschien een gevangenis, maar wel een fijne.”

Alweer een poos geleden las ik in Trouw een heel goed stuk van de arabist Maurice Blessing over Dabiq, de glossy van IS. Hij liet zien dat het geweld en de opofferingen die kalifaatgangers zich moeten getroosten in Dabiq niet ontkend worden, maar juist aangeprezen als onderdeel van een spirituele weg. En dat onze anti-propaganda die zegt: het is gevaarlijk, je kon wel eens sneuvelen of tot armoede vervallen, zijn doel volledig voorbij schiet. Want dat zegt IS zelf ook. Dat is nu juist wat het betekent om te leven in diens van een spiritueel ideaal. Dat is wat anders dan op een bovenwoning zitten met een kopje thee.

Het lijkt allemaal nogal op het geloof van de voormalige Sovjetmensen en op dat van degenen die juist een einde maakten aan de macht van de Sovjets: ze hadden er alles voor over. Ze leefden ten volle, in dienst van het geloof, van het toewerken naar een ideaal.

En nu wij weer.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap, bezoedelde idealen maar daarom nog niet stom, kunnen misschien ook wel een glossy gebruiken. Hoe komt het toch dat die niets meer lijken voor te stellen, dat je gemakkelijk kunt gaan zitten knikken als al die ‘rode mensen’ het kapitalisme afkraken en het leeg vinden, terwijl je wel bent opgegroeid in dat systeem en het grotendeels vanzelfsprekend vindt, zij het niet in zijn al te liberale uitgangspunten, zoals dat de markt alles zelf reguleert. Ook wij zullen wel geïndoctrineerd zijn, net als die rode mensen. Ik weet niet of we in staat zijn zo eerlijk over onszelf te spreken als zij lijken te doen – al is dat ook de verdienste van Alexijevitsj die in staat is om iedereen ongelooflijk naturel te laten lijken en tegelijkertijd steeds to the point.

Als ik mezelf met mijn moeder vergelijk, zie ik wel dat ik veel meer luxe heb en wens, dan zij noodzakelijk vindt. En ook meer dan ik vroeger nodig vond: kijk ik rond in mijn eigen huis, dan sta ik soms paf van verbazing hoezeer alles op orde is, hoe mooi, onderhouden, werkzaam en comfortabel. Vloerverwarming in de badkamer. Een elektrische melkschuimer. Muziek mogelijk in elke kamer. Mijn tuin bloeit met talloze rozen, ik zit er zomers in, op een designstoel en denk: wie hier woont moet heel gelukkig zijn. Ook al bevindt dit alles zich dan in Noord-Groningen in het aardbevingsgebied.

Er is zo onbegrijpelijk veel onrecht in de wereld

Zou ik dit allemaal op willen geven voor een of ander ideaal, voor ‘een betere wereld’? Pfoeh. Dat zijn misschien ook niet de goede vragen, want te vaag en te groot. De vraag moet eerder zijn welke waarden je hartstochtelijk wil verdedigen.

Of nog beter: waar het je eigenlijk om gaat in het leven.

Dan is het zoals die vrouw zei: ik weiger te geloven dat het leven alleen bedoeld is om lekker te eten en te slapen. Het leven is nergens voor ‘bedoeld’ vrees ik, maar enfin. Als je zegt dat het alleen maar draait om comfort en geld is dat wel een heel merkwaardige ontkenning van het leven van al degenen die dat niet hebben, en ook van alles wat hen en ons vervult of kan vervullen. Er is zo onbegrijpelijk veel onrecht in de wereld dat het voorstelbaar is dat mensen willen geloven in een beter leven, desnoods hierná, waarin alles opgelost zal worden. Zolang ze maar niet geloven dat ze door mensen nu alvast te martelen en te vermoorden dat paradijs dichterbij brengen.

Er is niets anders en niets heerlijkers dan in leven zijn, ook al is er op momenten niets verschrikkelijkers, dat is een oud besef dat op een wonderlijke manier ook troostrijk is. Het wordt vaak onomwonden uitgedrukt in Homerus’ verhalen en in Griekse tragedies. Het Griekse wereldbeeld biedt geen troost, alleen maar inzicht. Het inzicht dat weliswaar het mensenleven ellendig is, maar dat er toch niets heerlijkers is dan het licht van de zon te zien. Leven!

Dat is altijd het antwoord op al dit soort vragen. Neem het dialoogje dat Marina Tsvetajeva ooit schreef gevoerd te hebben met een vrouw die ze op straat ziet sjouwen met een veel te zware tas. Ze raken in gesprek en bij het afscheid vraagt de dame aan T.:

„Is uw vader gestorven?”

„Voor de oorlog.”

„Je weet niet wat je moet, bedroefd of blij zijn.”

„Leven. En anderen helpen leven. God geve het u!”

„Dank u. U ook.”

Voelen wat het leven hem of haar eigenlijk waard is of was

En misschien zit daar dan ons tekort, als er al sprake is van een tekort: dat we niet ‘echt’ leven. Dat we niet meer in ons eigen leven geloven. Pas wie te horen krijgt dat hij niet lang meer heeft, wie ziek wordt en minder kan, wie iets afgenomen wordt, die gaat voelen wat het leven hem of haar eigenlijk waard is of was. Vandaar misschien ook dat het zo in de mode is om met stervenden te praten: ‘we’ hebben zo weinig idee waar het ons om zou kunnen gaan, dat we hopen van degenen die niet lang meer hebben, te horen wat het leven nu eigenlijk de moeite waard maakt.

Maar dat weten we eigenlijk best: je inspannen voor iets, van iets of iemand houden. Een vak of een studie, een ideaal, een ander, musiceren, schaken, timmeren. Onze manier van leven is zo geworden dat we steeds over de oppervlakte glijden, snel, gemakkelijk, we verzamelen vlot wat informatie, kijken naar een spannende serie en even zijn we geboeid. Maar vervulling geeft dat niet. Die is gelegen in verdieping van gevoel, van kennis, van inzicht. Verdieping ook van de sensaties die je ondergaat: de vogels kennen die je ziet, de namen van de planten weten, de sneeuw horen kraken en beseffen: dit hoor ik. Nu. Op deze dag.

Ja zo dwaal je makkelijk ver af van kalifaatgangers en wereldhervormers. Dit is de thuiskant van het leven.

Maar als je daaraan denkt, weet je ook weer beter wat je eigenlijk wilt verdedigen. Een wereld waarin belangeloze aandacht voor anderen vanzelfsprekend is, waarin, zoals Nabokov schreef „kunst (nieuwsgierigheid, tederheid, zachtmoedigheid, extase) de norm is”, waarin die beroemde mensenrechten van ons echt iets betekenen, voor iedereen.

Onze manier van leven zou geen lege bedoening hoeven te zijn. We hoeven er alleen maar volop in te geloven.