Recensie

Superieur geklets op een boerderij

Wieslaw Mysliwski

Opnieuw is een meesterlijke roman van deze grote Poolse schrijver vertaald. Het is zijn meest autobiografische werk en daarin sleurt hij je van het ene verhaal in het andere.

Het Poolse boerenleven is de grote inspiratiebron van de schrijver Wieslaw Mysliwski Foto Hulton-Deutsch Collection/CORBIS/Corbis via Getty Images

Een schoen! Hoe kun je in hemelsnaam tientallen bladzijden lang schrijven over het zoeken naar een schoen? De Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski lukt het in zijn roman De horizon zonder ook maar een seconde te vervelen. En zoals hij over die schoen schrijft, zo heeft hij het ook over het kiezen van een das door twee prostituees voor hun buurjongen of over de zoektocht van diens oom naar de onverlaat die zijn hond een oog heeft uitgestoken. Tussendoor vertelt Mysliwski (1932) de verhalen waar het hem echt om te doen is. Die zijn soms gruwelijk, maar worden dankzij die schoen, das of eenogige hond als lichte gerechten opgediend.

De horizon (1996) is Mysliwski’s meest autobiografische roman. Eindelijk kom je te weten wie toch die geheimzinnige vader is, die je meent te herkennen uit zijn eerdere, door Karol Lesman zo knap vertaalde romans. In het begin van De horizon trekt deze voormalige officier met vrouw en zoon Piotr in bij zijn schoonfamilie op het Poolse platteland. De Tweede Wereldoorlog is in volle gang en ze zijn geëvacueerd uit de grote stad. Die vader heeft ontslag genomen als boekhouder, uit angst verraden te worden wegens zijn activiteiten als partizaan. Vanaf dat moment duikt hij overal in de roman op, vooral als chronisch zieke die na de oorlog niets anders doet dan vanuit zijn bed in zijn kelderwoning naar het bovenraam en het plafond staren.

De boerderij vormt het belangrijkste decor in deze magistrale roman. Op latere leeftijd, als zijn naaste familieleden dood en begraven zijn, beseft Piotr, de verteller, dat hier het midden van zijn horizon ligt, ‘want alleen hier ben ik in staat om die pijnlijke gevoeligheid te ervaren hoe ook ik hen volg in de dood en niet alleen de wereld om me heen.’ Het plattelandsleven bestaat vooral uit het geklets van Piotrs grootvader, moeder, ooms en tantes. Het is iets waarin Mysliwski net als in zijn andere romans opnieuw schittert. Voortdurend heb je het gevoel dat je bij die boeren aan de keukentafel zit. En dan zijn er nog de boerenjongens, die naast het hoeden van hun koeien vooral roddelen, over de mooie vrouw van de kapper bijvoorbeeld, die naakt in de rivier baadt en het met iedereen zou doen. En dan volgt er zo’n typische Mysliwski-passage: ‘Soms veranderden deze verhalen in een soort wedstrijd, van wie zou wie overtreffen, alsof hij een kaart sloeg, de pot, de bank won. Hieruit bleek dat iedereen in het dorp het met iedereen deed, de vrijgezellen en de gehuwden, moeders van kinderen, weduwen, de pasgetrouwden en de vroomsten. Behalve de ouderen. Maar ook over de ouderen werd soms gebakkeleid hoe ze het ooit met iedereen deden. En ook over de overledenen, wie zich nog vroeger in het dorp onderscheidde in het met iedereen doen en alleen hier haar plaats in het mensengeheugen aan te danken had.’

Ook hier schiet Mysliwski in de tijd heen en weer en vertelt hij keer op keer een verhaal binnen een verhaal. Soms zijn de Duitsers de baas in Piotrs wereld, dan weer maken de Russen de dienst uit en sluit Piotr vriendschap met een eenbenige Sovjet-soldaat, die zich niet meer bij zijn vrouw durft te vertonen. In plaats van naar huis te vertrekken slacht hij uit Duitsland geroofde koeien, die op eigen kracht de Sovjet-Unie niet kunnen halen.

In een ander verhaal vertelt Mysliwski hoe tijdens de Duitse bezetting het arme Joodse gezin Szmul door Piotrs grootvader met paard en wagen naar de synagoge in de stad wordt gebracht, vanwaar ze zullen worden gedeporteerd naar onbekende oorden. Het gaat er gemoedelijk aan toe, alsof die grootvader zijn Joodse buren een vriendendienst verleent. Op zijn beurt verheugt Szmul zich op het ‘Beloofde Land’ dat de Duitsers hem voorspiegelen, waar orde heerst en hij een huis met een tuin zal krijgen. Met deze wrange idylle tekent Mysliwski de goedgelovigheid van zowel de Joden als van hun niet-Joodse buren.

Een ander hoogtepunt in De horizon zijn de sympathieke Ewelina en Róza Poncka, twee prostituees. Piotr en zijn ouders wonen na de oorlog in het souterrain van hun huis in een kleine stad. De zussen draaien tango-platen en Piotrs moeder gaat bij hen op bezoek om naar die muziek te luisteren. De kleine Piotr beschouwen ze als hun broertje, die cacao bij hen komt drinken en zijn ogen uitkijkt. Door hem tangoles te geven willen ze een man van hem maken.

Gepassioneerd beschrijft Mysliwski de wereld van de twee vrouwen. Een van hun klanten is ronduit ontroerend: een voormalige gymnasiumleraar, die in zijn jonge jaren iedere vrouw in het dorp heeft versierd en zich nu, oud, dik en kaal, door beide dames laat verwennen.

Aan het einde van de roman, als Piotr volwassen is en de tango door de communisten verboden, laten de dames Poncka zich meewarig uit over hun leven, als ook gymnasiasten zich als klant aandienen: ‘„Liefde! Liefde! Wat weten zij allemaal van de liefde. Daar kom je pas veel later achter en soms pas helemaal op het einde. Liefde is niet met wie je…” en ze liet haar stem hangen, alsof ze plotseling ergens over struikelde, „maar met wie je zou willen sterven.”’ Alleen al om die woorden wil je Mysliwski omhelzen.