Opinie

    • Luuk van Middelaar

Liberalen, erken je eigen blinde vlekken!

In de prachtroman Tijl van de Duitse schrijver Daniel Kehlmann dwaalt vileine grappenmaker Uilenspiegel rond in de door honger, armoede, ziekte en oorlogen verscheurde Duitse landen tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-’48). Een zinloze hel, waarin eenderde van de bevolking omkwam. Het boek is in Duitsland een groot succes. Het is dan ook zeer goed.

Maar wellicht raakt het ook een snaar omdat het een wereld oproept van voor de statelijke orde, waarin „de machtigen geen politiek namens de staat of de bevolking bedreven, maar enkel voor eigen familie en zelfgewin” (aldus Kehlmann tegen Zeit Online). Angst voor die premoderne toestand is angst voor het verlies van de staat en zijn raison. Invoelbaar.

Vanwege de toestand in Polen en Hongarije gaat het dezer dagen veel over de „crisis van de liberale democratie”. We mogen preciezer zijn. Het is een crisis van de liberale, democratische staat. Die drie elementen hangen naar oorsprong nauw samen. In de zeventiende eeuw verscheen de soevereine staat, een centrale macht met het geweldsmonopolie op een begrensd territorium, erkend door zijn buren. (Sleuteljaar is 1648: het einde van die Dertigjarige Oorlog en van onze eigen Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje.) De staat bracht zijn onderdanen veiligheid: een primaire behoefte na chaos en burgeroorlog.

In de achttiende eeuw werden die staten liberaler, met juridische gelijkheid, scheiding der machten en rechtszekerheid. In de negentiende en twintigste eeuw werden ze bovendien democratischer: de bevolking verwierf kiesrecht, inspraak en burgerschap – en kon om welvaartsdeling en openbare diensten vragen.

Het wordt liberale democratiën fataal als ze de behoeften van hun eigen burgers vergeten

We koersen in 2018 af op nieuwe botsingen tussen ‘liberale’ rechtsstaat en ‘democratische’ volkswil. Europees commissaris Frans Timmermans gaf deze week het startschot voor een slag tussen een ‘West-Europees blok’ dat rechtsstaat en scheiding van machten hoog houdt, en de Poolse regering die meent die met steun van haar kiezers te mogen ontmantelen. In Hongarije bepleit Viktor Orbán zonder gêne de „illiberale democratie”, lees: de vrijheid mensenrechten te schenden.

Om de slag te winnen moeten liberale krachten de eigen blinde vlekken erkennen. Klassieke liberale rechten en vrijheden veronderstellen een politieke orde. Dit wordt van twee zijden miskend – tot de werkelijkheid het erin ramt. Het economisch neoliberalisme van rechts ontdekte in de kredietcrisis van 2008 dat het financiële stelsel met zijn vereerde bankiers alleen door de verguisde overheden en hun belastingbetalers kon worden gered. Staatsbodem gevraagd.

Evenzo ervaart het links-liberale humanitaire denken in de migrantencrisis dat universele mensenrechten weinig waard zijn voor wie geen paspoort heeft van een staat waar je die rechten kunt doen gelden (terwijl we niet elke vluchteling zulk staatsburgerschap kunnen bieden). Ironie: het geloof in zelfregulerende markten en in wereldburgerschap, twee loten aan de stam van het negentiende-eeuwse liberalisme, veronachtzamen beiden de statelijke orde dankzij welke ze bestaan.

Antiliberale bewegingen zoals in Polen en Hongarije vragen uit naam van het volk om veiligheid en dichte grenzen – terug naar primaire staatstaken. Ze mogen er niet mee wegkomen dit democratie te noemen. Want democratisch burgerschap kan niet bestaan zonder rechtszekerheid en toegang tot publieke middelen; het is geen toeval dat in Orbáns Hongarije de kleptocraten oprukken. Er zijn geen „illiberale democratieën”, wel illiberale en ondemocratische staten.

Maar omgekeerd is nu ook duidelijk: zonder het waarborgen van de veiligheid van de eigen burgers verliezen liberale democratieën de grond onder hun voeten: het staatsgezag waarop rechten en vrijheden kunnen bloeien.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve). Onlangs verscheen zijn boek De nieuwe politiek van Europa.
    • Luuk van Middelaar