Recensie

In dit Berlijn baart vernedering agressie

Fatma Aydemir In een overrompelende debuutroman leiden een woedende binnenwereld en de afwijzende buitenwereld bij een Turks-Duits meisje tot een gruwelijk geweldsincident in Berlijn anno nu.

‘Jij godvergeten hoerenkind!’ Een klein meisje stal een lippenstift. Haar moeder bedreigde haar hijgend met een vleesmes. ‘Met welke hand heb je gestolen, je linker of je rechter?’ Deze flikkerend realistische jeugdherinnering licht op door een diefstal in het hier en nu. De Turks-Duitse Hazal Akgündüz stopt, met het oog op haar achttiende verjaardagsfeest, een mascara in haar zak en wordt betrapt. Het is deze daad die de motor in gang zet van de nogal overrompelende debuutroman Ellebogen van Fatma Aydemir (Hamburg, 1986).

Hazal wordt betrapt en acteert verdriet. Met een scherp oog beschrijft Aydemir hoe echt en onecht in elkaar overlopen in een adolescente belevingswereld. Het doen alsof, het inzetten van tranen, het oefenen in het optreden dat een volwassen leven ook is. De onthechting die je in deze oefening kunt ervaren. ‘Dit is niet echt, dit is zo’n waardeloze Duitse film op ZDF. Het arme Turkse meisje, alleen het hoofddoekje ontbreekt nog. Ik sla m’n handen voor mijn gezicht en begin te snotteren. Plotseling huil ik echt, zonder te weten waarom.’

In Wedding, een migrantenwijk in Berlijn, gaat Hazal naar een beroepsoriëntatiecursus – als ze er echt niet onderuit kan tenminste. Liever blowt ze met vriendinnen op de bank bij een Russische kruimeldealer. Ze kijkt naar haar omgeving met een nietsontziend oog voor performance, zoals Holden Caulfield dat deed in het iconisch geworden The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Maar waar Holden een jongen uit de witte bovenklasse is, vecht Hazal naast het opgroeien ook met maatschappelijke krachten die haar een stuk ongunstiger gestemd zijn. Háár gevecht voor haar ontluikende eigen stem heeft steeds die dubbele kracht: tegen haar ouders en wat zij verwachten van een dochter én tegen een heersende cultuur, die haar terneerdrukt en waartegen zij nog geen verweer heeft in de vorm van een stem waarmee ze kan terugpraten. Hazal slaat de ogen neer en kookt vanbinnen. ‘Als ik bij mijn ouders zit, hoor ik die stem nooit. Omdat ik dan altijd doe alsof ik iemand anders ben.’

De benepen landerigheid in het piepkleine stadsappartement waar de tv blèrt, tekent Aydemir beklemmend op. In dit universum kan alleen president Erdogan de goedkeuring van de vader wegdragen. De moeder houdt zich staande onder een waas van ‘psychotabletten’, zij licht alleen even op als de zoon de woonkamer betreedt. En er is een tante Semra, die zich wel onafhankelijk van de druk van de Turkse gemeenschap beweegt en ongetrouwd is gebleven. Gestudeerd heeft. Tante Semra is geassimileerd, zichtbaar aan haar keukentafel, die rommelig en westers is, waar de tampons open en bloot tussen de huissleutels en de boeken liggen. ‘Als mama die tafel zou zien, zou ze hem meteen afruimen en boenen.’

Vriendschap als vluchtheuvel

Hazal observeert woedend en de woede van de adolescent is ook een woede in hyperbolen. Haar walging heeft eenzelfde diepe kracht als die van Holden Caulfield, maar in haar omgeving wordt #fuckcharliehebdo op een Facebookwall doorgepost en verliest een van Hazals vriendinnen op deze wijze haar stageplek. Steeds dreigen Hazals hyperbolen realiteit te worden. En voor haar hangt nergens een vangnet.

En dan zijn er de verveling en het wachten, zaken die het leven van een adolescent tot een hel maken. Waarover Hazal opmerkt: ‘Dan maar weer wachten tot het eindelijk half zes is en ik kan beginnen met het dweilen van de vloer. Wachten tot ik een opleiding heb gevonden en niet meer in deze kutwinkel hoef te staan met dit kutbaantje dat een kip zonder kop ook zou kunnen doen. Wachten op een betere, rijkere toekomst die toch nooit komt, omdat ik die allang ben misgelopen.’

In dit harde overleven is vriendschap de vluchtheuvel. De Bosnische Elma en Hazal schuimen de straten af, schreeuwen hard Azealia Banks mee: ‘I’ma ruin you cunt! I’ma ruin you cunt!’. ‘Ik voel weer dat branden in mijn buik, dat gevoel dat ik alles kan, als ik maar met Elma op stap ben. Als ik alleen ben, heb ik dat nooit, dan ben ik eigenlijk meestal alleen maar bang […]. Ik ben bang dat ik de rest van mijn leven op die nepbank blijf hangen, wachtend op het echte leven, maar dat het echte leven gewoon nooit komt.’

Dat het echte leven zich aanhoudend aandient is voor de lezer wél zichtbaar. Het echte leven is: op straat twee blonde ‘doktersdochters’ treffen, die verkeerd lachen en die van Elma – ze zet haar blikje Red Bull traag en dreigend op een transformatorkastje – sorry moeten zeggen. ‘Zeg dan sorry, zeg sorry dan hoef ik die kuttanden van je niet uit je bek te slaan.’

De meisjes joelen en dromen over Istanbul, de nachtclubs, het grote leven. Ze oefenen, in de spiegels van de H&M, met afgeprijsde jurken, het dansen dat ze alleen uit muziekvideo’s kennen. Het achttiende verjaardagsfeest van Hazal moet daar verandering in brengen. Geil, overmoedig en dronken wankelen ze op hun ‘hoerenschoenen’ door de nacht naar de beroemdste club van de stad.

De zoveelste extra horde

De werkelijkheid van de nachtclub voor de rijke happy few is van een droefgeestigheid die onverdraaglijk zal blijken voor Hazal en haar vriendinnen. De achterstelling, de bron van de machteloosheid, blijft opduiken. Wat Aydemir scherp voor de lens haalt is de moedeloze destructie die Hazal en haar vriendinnen treft, na die zoveelste extra horde die ze moeten nemen in het witte Berlijn, de stad van de Sarahs en de Klara’s. ‘Maar dat zal toch allemaal wel loslopen’, is het vergoelijkende sentiment dat klaaglijk en hoopvol bij de lezer sluimert. Dat zal het niet. Aydemir toont hoe vernedering agressie baart. Als een dronken student in een metrostation verkeerd tegen hen lalt, verscheuren de drie vrouwen hem, meedogenlozer nog dan zijzelf verscheurd zijn.

Aydemir legt bloot wat in westerse debatten over sociale ongelijkheid aan de orde is: de ontkenning en vernedering van een onderklasse is zelfdestructief. Hoe blinder een middenklasse is voor de eigen voorrechten, hoe schokkender dat een onderklasse, die wel degelijk bestaat, zich toegang verschaft tot de zichtbaarheid. En zij doet dat met de middelen die voorhanden zijn.

Feilloos maakt Fatma Aydemir in haar roman invoelbaar dat de woede die in het metrostation tot uiting komt onder onze gedeelde verantwoordelijkheid valt.