Foto Andreas Terlaak

Ingrid Thijssen: ‘Mannen verkondigen meningen, vrouwen stellen vragen’

Directeur van netwerkbedrijf Alliander

Ingrid Thijssen is directeur van netwerkbedrijf Alliander en was vorig jaar ‘topvrouw van het jaar’. Haar taak neemt ze niet licht. „Er zijn dingen om bezorgd over te zijn.”

Als Ingrid Thijssen (49) aan de komende twintig jaar denkt, denkt ze aan de periode na de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw, ook al maakte ze die zelf niet mee. Net zo ingrijpend zal de overgang naar schone energie zijn, de ‘energietransitie’, denkt ze. En dat is voor haar een persoonlijke missie. „Ik zit op een plek waar ik daar echt iets aan kan bijdragen. En als ik tachtig ben en het is niet gelukt, mogen mijn kleinkinderen zeggen: ‘Oma, dat heb je niet goed gedaan.’”

Thijssen is moeder van twee zoons. Ze was in 2016 ‘topvrouw van het jaar’ en is sinds september directeur van Alliander: een bedrijf in de energiesector met een omzet van 1,7 miljard euro. Iedereen die woont of werkt in Noord-Holland, Friesland, Gelderland of Flevoland heeft een elektriciteitsaansluiting, een gasaansluiting en meestal allebei, van haar netwerkbedrijf. Alliander is, met 3 miljoen klanten, het grootste netwerkbedrijf van Nederland. Thijssen begon er in 2014 als directielid en staat nu dus aan het hoofd. „Een super-technisch bedrijf, een echt mannenbedrijf.”

De gesprekken die ik met haar voer, gaan over die „totale verbouwing van Nederland”. „Vijftig keer zoveel windenergie op de Noordzee als nu. Miljoenen huizen die geïsoleerd moeten worden, en duurzaam verwarmd. Het is gigantisch.” Thijssen praat erover op werkbezoek in een zaaltje met Noord-Hollandse Statenleden. Ze zegt het bij een kop chocolademelk, na een uur kleumen bij een ‘buurtbatterij’ die zonnestroom uit een woonwijkje opslaat. En ze zegt het in de gesprekken in de kantoren van Alliander, in Amsterdam en Duiven.

Maar die gesprekken gaan ook over andere dingen. Over vrouwen in leidinggevende functies, want als topvrouw van het jaar kreeg ze daarin een voorbeeldrol toebedeeld. Over Thijssens salaris – vorig jaar 208.340 euro. En uiteindelijk over hoop en over geloof.

Ingrid Thijssen groeide op in Bodegraven, in het Groene Hart. „Ik had als klein meisje een prentenboek”, vertelt ze. „Dat ging over luchthavens, havens, energie, telecom. Met simpele plaatjes werd uitgelegd hoe het allemaal werkte. Ik vond dat fenomenaal, ik kon daar uren naar kijken. Dáár gaat koud water in, dáár warm water uit… Achteraf gezien: het heeft me altijd gebiologeerd, hoe dat allemaal werkt.”

Ze was, zegt ze, een „ijverig en gedisciplineerd” meisje uit een hervormd gezin, dat op het gymnasium achten en negens haalde. Ze koos een bèta-studie. „Er waren in mijn tijd van die reclames, misschien was het ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Dus ik ging naar Delft, ik studeerde geodesie: landmeetkunde. Maar ik vond het te gespecialiseerd. Ik vond het niet zo leuk, dat kan toch? Ik wist niet wat ik dan moest studeren. Mijn zus studeerde rechten, mijn moeder had rechten gestudeerd.” Dus het werd rechten, in Utrecht.

Els Borst

Een echt rolmodel had ze niet, al was er één vrouw die daarbij in de buurt kwam. Eens belandde ze in de trein bij toeval tegenover Els Borst, toen minister van Volksgezondheid. „Ze heeft een ziekenhuis geleid, ze heeft allerlei medisch-ethische zaken voor elkaar gekregen. Ze had wijsheid, maatschappelijk engagement, en het schijnt dat ze ook nog heel grappig was. Ik had echt bewondering voor haar. En toen, in de trein, heb ik haar niet durven aanspreken. Daar heb ik tot de dag van vandaag spijt van.”

Thijssen ging als jurist werken op de afdeling schade-afhandeling van de Nederlandse Spoorwegen. Ook dat was aanvankelijk geen keuze uit overtuiging. „Ik kwam een vriend tegen in de supermarkt, die ging daar net weg. En ik zocht een baan.” Via juridische en personeelsfuncties klom ze op, werd in 2007 directeur Vervoer bij NS Reizigers, en in 2011 bestuursvoorzitter.

Ingrid Thijssen begon haar carrière als jurist op de afdeling schadeafhandeling van de NS. In de rubriek eerste baan vertelt ze daarover: ‘Op kerstavond ontspoorde er een trein’

Vrouwen, vindt ze, zijn onmisbaar in directies. „Laatst werd me op een congres de vraag gesteld: wat is nou het verschil tussen mannen en vrouwen? Ik zei: mannen verkondigen meningen, vrouwen stellen vragen. Met vragen stellen breng je een discussie verder, en daarmee worden beslissingen ook beter.”

Na haar verkiezing tot ‘topvrouw’ ontmoette ze veel jonge, talentvolle vrouwen, vertelt ze. „Wat ik wel een tegenvaller vind: er is sinds vijftien jaar geleden, toen ik zelf kinderen kreeg, niets veranderd. Vrouwen worden nog hetzelfde bejegend. Wat is er nog veel te doen.”

Zoals kinderopvang: „Schooltijden zijn nog steeds dramatisch slecht geregeld. In andere landen gaan kinderen van acht tot vijf naar school en krijgen ze warm eten.” Of de loonkloof: „Ze zeggen dat vrouwen moeten leren het spel te spelen zoals de jongens: dat ze moeten leren onderhandelen over hun salaris. Dat vind ik een beetje onzin. Werkgevers moeten erop letten dat ze vrouwen evenveel betalen.”

Of vaderschapsverlof. „Als een vrouw solliciteert die net in de leeftijd is om kinderen te gaan krijgen, denken veel werkgevers: nou… Als vrouwen en mannen er na de geboorte even lang uit gaan, is dat onderscheid weg.”

Beleid om vrouwen aan de top te krijgen, heeft volgens Thijssen alleen zin als vrouwen daar zichzelf kunnen zijn. „Ik heb een vrij sterke gut feeling; dat heeft te maken met vrouw zijn, denk ik. Maar die emotie gebruiken in een gesprek, is iets wat ik wel heb moeten leren. Want de gangbare cultuur is: emoties moeten onder tafel blijven. Als ik nu ergens een emotie bij voel die ik niet meteen rationeel kan verklaren, benoem ik dat. Zoals: ‘ik word hier boos van’. Dat is best ongezellig voor de mensen die ook aan tafel zitten, maar het is uiteindelijk heel effectief. Je werkelijke zelf zijn is ook je vrouwelijke zelf zijn, in kwetsbaarheid en openhartigheid.”

Foto’s Andreas Terlaak

Haar zoons zijn nu 14 en 16 jaar. Toen ze in 2007 haar eerste directiefunctie kreeg bij NS Reizigers, ging haar jongste net naar de basisschool. Het lukte, zegt ze, door haar moeder, die weduwe werd in het jaar voordat Thijssens oudste zoon geboren werd. Zij paste één dag in de week op. Twaalf jaar lang. „Toen de jongste naar de basisschool ging, stond mijn man Joost één middag om drie uur op het schoolplein en ik een andere middag. In principe. Dat lukte natuurlijk niet altijd. Zeker mij niet.”

Thijssens moeder heeft haar altijd gesteund, zegt ze. „Ze wilde dat ik mezelf bleef ontwikkelen. Je bent intelligent, zorg dat je het goed inzet voor de samenleving. Dat zeiden mijn ouders. Ik ben heel calvinistisch opgevoed. Ik heb wel moeten ontdekken dat het niet alleen opdracht is, maar dat ik het zelf ook zo voel. En om er af en toe een beetje luchtig over te denken.”

Blauwe bedrijfs-Tesla

Thijssen wordt gemakkelijk persoonlijk. Als na een afspraak de glanzende, donkerblauwe bedrijfs-Tesla met chauffeur komt voorrijden, en Thijssen snel instapt, verrast dat zelfs een beetje. O ja, ze is CEO van een miljardenbedrijf.

In september vertrok Thijssens voorganger Peter Molengraaf na een sabbatical van een half jaar. Hij kreeg een ontslagvergoeding van 517.000 euro. De gemeente Amsterdam, aandeelhouder van Alliander, was woest. „Alliander is losgeslagen van de werkelijkheid”, zei toenmalig wethouder Kajsa Ollongren (nu minister van Binnenlandse Zaken) in Het Parool. Thijssen kijkt voor het eerst naar haar woordvoerder. „Daar gaan onze commissarissen over, daar ga ik echt niks over zeggen. Sorry.”

Er kwamen Kamervragen van, en daarbij kwamen ook de directiesalarissen van het netwerkbedrijf weer eens op tafel. Thijssen verdient meer dan een minister. Dat mag volgens de Wet Normering Topinkomens, omdat die niet voor overheidsdeelnemingen geldt. Toch gelden „beloningen ver boven de WNT-norm” bij zulke bedrijven als politiek ongepast. In 2016 matigde Alliander de salarissen vrijwillig naar 130 procent van het ministerssalaris, maar de Raad van Commissarissen wilde niet verder gaan.

Als je kijkt naar bedrijven die vergelijkbaar zijn qua aard, is dit salaris gewoon redelijk

Ingrid Thijssen

„Ik vind het heel ingewikkeld”, zegt Thijssen zelf. „Ik zit al op die 130 procent, mijn collega is aan het afbouwen. Toen ik van NS kwam, heb ik flink salaris ingeleverd. En dat vond ik echt oké. Ik ben faliekant tegen torenhoge beloningen in de semi-publieke sector. Maar de verantwoordelijkheid die bij het leiden van een bedrijf hoort, is best heftig. Als er in je bedrijf dingen misgaan, ben je als bestuurder aansprakelijk – zelfs strafrechtelijk. Dat is een verschil met een minister. Als je kijkt naar bedrijven die vergelijkbaar zijn qua aard, is dit salaris gewoon redelijk.”

In ieder geval zijn zulke beloningen niet ongebruikelijk, blijkt na even zoeken in wat jaarverslagen. De directeuren van Schiphol, de Gasunie en het Havenbedrijf Rotterdam – overheidsdeelnemingen met een vergelijkbare omvang – verdienen allemaal meer dan Thijssen.

Zij, over haar loon: „Ik zal er niet op rekenen dat mensen zeggen: ik begrijp dat. Ik zit in absolute zin bij een heel klein percentage van Nederland. Wat ik verdien, is voor iedereen altijd heel erg veel.”

Eind november zitten we in een vergaderzaal in het Alliander-kantoor in Duiven. Zij en ik hebben de hoek van de tafel gekozen, de voorlichter – aanwezig bij alle gesprekken – zit een paar stoelen verder.

Drie keer dit najaar stond Alliander voor de rechter. Alliander heeft een dochterbedrijf dat laadpalen met stroomcontract aanbiedt aan gemeentes. Energiebedrijven, vooral Nuon, probeerden tevergeefs dergelijke commerciële diensten van het publieke netwerkbedrijf te beteugelen. Nuon vindt dat het neerzetten van laadpalen uitstekend aan de markt overgelaten kan worden. Zo staat het, in ambtelijker taal, ook in het regeerakkoord.

„Ja, daar was ik wel wat verrast over. Er wordt vaak tegen ons gezegd: moeten jullie dat nou allemaal doen? Maar als er straks honderdduizenden laadpalen bijkomen, raakt het elektriciteitsnet overbelast. Als je nú zorgt dat zo’n paal zo in elkaar zit dat de belasting van het net op peil blijft, hoef je straks geen extra kabels of extra transformatoren neer te zetten. Dat is een maatschappelijk belang, en daar kan ik echt op duwen. Ik snap dat niet iedereen het even leuk vindt, maar dat vind ik écht.”

Ze voelt ook verantwoordelijkheid, zegt ze, voor de hoeveelheid werk die er nog te verzetten is voor 2050. „We hebben een enorm tekort aan technici. We komen tienduizenden mensen te kort. Dan worden je zonnepanelen of je warmtepomp niet meer geïnstalleerd, en al die windparken op zee moeten ook nog gebouwd worden. Die vijver moet groter. Zoals die 125.000 drop-outs van middelbare scholen die op de bank zitten. Die kunnen misschien nog dingen leren waardoor ze inzetbaar zijn als techneut.”

Hulp van een hogere macht

Is ze pessimistisch of optimistisch over de toekomst? Thijssen denkt vijf tellen na. „Er zijn dingen om bezorgd over te zijn. Overbevolking. Dat hele stukken van de wereld straks niet meer bewoonbaar zijn, zelfs als het ons lukt om de opwarming van de aarde te beperken… Het is niet ondenkbaar dat heel veel mensen uit andere landen hier komen werken. Misschien moet dat ook wel om ons welvaartsniveau te behouden, want Europa veroudert sterk. Maar het is nogal wat. Ik begrijp ook goed dat mensen het beangstigend vinden.”

Maar, zegt ze: „Met de inventiviteit van de mensheid gaan we het wel oplossen, zeker als het urgent wordt.”

En dan denk ik wel eens… we zijn soms een beetje kwijt wat het is om redelijk met elkaar om te gaan

Ingrid Thijssen

Misschien is het voor iemand die calvinistisch is opgevoed, gemakkelijker om een wereld voor zich te zien waarin we ons een beetje inhouden, opper ik. „Bij calvinisme hoort ook wel: het hoeft niet allemaal meer, meer, meer.” Thijssen spreekt bedachtzaam. „Maar wat ik wil zeggen… geloof, wat calvinisme ook is, daar zit ook optimisme in. Dat we, met hulp van een hogere macht” – klein lachje – „het ook voor elkaar krijgen.”

Ze is gelovig? „Dat vind ik de moeilijkste vraag die je me kan stellen. Mijn zoon vroeg het me laatst ook. ‘Mama, geloof jij nou in God of niet?’ Ik zal nooit zeggen dat ik níet geloof. Waar ik slecht tegen kon, zijn de dogma’s van de kerk. Maar de gedachte dat er meer is dan dit aardse, dat we met alles en iedereen uiteindelijk in verbinding staan, daar heb ik veel mee.”

„Wat ik ook mooi vind”, vervolgt ze, „is dat mensen, als ze naar de kerk gaan – iets wat ik bijna nooit meer doe – daar zitten en proberen ‘hun beste zelf te zijn’. Zo verwoordde een schrijfster het laatst.”

Wat is dat dan, dat beste zelf?

Ingrid Thijssen is lang stil. „Ik krijg een brok in m’n keel als je dat vraagt.” Het gesprek past niet meer bij de vergaderzaal met glazen wanden en de voorlichter die een paar meter verderop zit. Ze kijkt omlaag, naar haar handen. „Ik denk dat je, en dat ontroert me volgens mij, je beste zelf bent als je in verbinding bent met liefde.”

Stilte. „Ik maak me best zorgen dat we oorlog krijgen. En dan denk ik wel eens… we zijn soms een beetje kwijt wat het is om redelijk met elkaar om te gaan. Ik liep een paar dagen geleden in het bos, op een pad waar ik al heel vaak gelopen heb. Toen kwam iemand naar me toe en hij zei ‘wilt u hier weggaan!’ Ik zei: ‘ik loop hier ontzettend vaak.’ ‘Heeft u dan niet gezien dat het gesloten is!’ En hij werd echt heel boos.

„Waarom? Daar kan ik letterlijk verdrietig van worden. Ik denk dat de mensheid de wereld kan redden, maar verdraagzaamheid is wel een belangrijke voorwaarde. Meer liefde, dat is wat ik de wereld toe zou wensen.”