Het gezaghebbende, technische antwoord op de PVV

Wouter Koolmees

Als ambtenaar en Kamerlid viel Wouter Koolmees (D66) op door praktisch inzicht. Wat voor minister van Sociale Zaken word je dan?

Het was een bekende boodschap van de PVV over ontwikkelingshulp, en de vórige minister van Sociale Zaken zou er vast fel op hebben gereageerd: waarom worden de „bakken met geld” voor Afrika niet gebruikt om de „eigen mensen” op hun 65ste met pensioen te laten gaan?

Tweede Kamerlid Léon de Jong kwam er op donderdag mee in het debat over de begroting van Sociale Zaken, het eerste grote debat van D66-minister Wouter Koolmees – en die glimlachte. „Ik ga maar een technisch antwoord geven”, zei hij.

Zo kent de Tweede Kamer hem als oud-collega: gezaghebbend door zijn technisch inzicht, een man die je elke organisatie zou toewensen als penningmeester, de rechterhand van D66-leider Alexander Pechtold. En vooral: eerder een superambtenaar dan een superpoliticus. Wat voor soort minister word je dan?

Van zijn voorganger, PvdA’er Lodewijk Asscher, wist aan het Binnenhof iedereen hoe politiek handig en strategisch hij was. En dat hij niets liever deed dan de PVV met een bijna heilige verontwaardiging van repliek dienen als hij de kans kreeg.

Wouter Koolmees zei op donderdagmiddag dat hij PVV’er De Jong natuurlijk een „filosofisch en politiek” antwoord zou kunnen geven. Maar de feiten lagen zo: als de AOW op 65 jaar zou blijven, kost dat elk jaar 13 tot 14 miljard euro. „En in Nederland geven we geen 14 miljard uit aan ontwikkelingssamenwerking. Het is fors minder dan dat. Het is, zeg ik uit mijn hoofd, 4,2 miljard.”

Grondoorzaak van migratie

Dus als de PVV het anders wilde, zei Koolmees ook, moest die partij maar voorstellen om te bezuinigen op de zorg of op defensie. En voorzichtig kwam er daarna toch iets dat je misschien een politieke uithaal zou kunnen noemen: als de PVV wilde bezuinigen op ontwikkelingshulp, werd er minder aan de „grondoorzaak van migratie” gedaan. „Dat vind ik heel onverstandig, ook in het licht van de agenda van de heer De Jong.”

Of er in de techneut Koolmees niet ook een politiek scherpe Koolmees zit, is na dit debat nog niet te zeggen. De oppositiepartijen maakten het hem nauwelijks moeilijk.

Koolmees zelf bleef zeggen dat hij voor zijn plannen met de arbeidsmarkt – flex minder aantrekkelijk maken, het vaste contract weer gewoon maken – de vakbonden en werkgevers nodig heeft. Ook voor de plannen die het kabinet-Rutte III met de pensioenen heeft, rekent Koolmees op hen.

Lodewijk Asscher sloot als minister in 2013 een ‘sociaal akkoord’ met de vakbonden en werkgevers over veel onderwerpen bij elkaar. Maar dat ‘polderoverleg’ zit nu volledig vast.

Koolmees wil proberen de werkgevers en vakbonden per onderwerp bij elkaar te brengen – over zzp’ers bijvoorbeeld, loondoorbetaling bij ziekte en over pensioenen.

Hij weet dat het moeilijk wordt. Koolmees ziet, zei hij in het debat met de Tweede Kamer, „een flinke dosis wantrouwen” tussen werkgevers en vakbonden. Als het de minister toch lukt samen met hen veranderingen door te voeren, zal dat worden gezien als een groot succes.