Amsterdam deed alles om islamitische school niet te hoeven huisvesten

Islamitische school Na zes jaar juridisch touwtrekken opende dit schooljaar de tweede islamitische middelbare school van Nederland. De gemeente Amsterdam deed er alles aan om het Cornelius Haga níét te hoeven huisvesten.

Zes jaar na de toekenning van een vergunning kon het islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam zijn deuren openen. Foto Olivier Middendorp

Het containerpand van twee hoog staat er wat troosteloos bij. Binnen loopt een bebaarde man heen en weer met ducttape en elektriciteitskabels. Het is 5 september, ’s avonds. Een dag eerder is het Cornelius Haga Lyceum opengegaan. Maar af is het gebouw, op een industrieterrein in Amsterdam Nieuw-West, nog lang niet.

Het Cornelius Haga is, na het Avicenna College in Rotterdam, de tweede islamitische middelbare school in Nederland. Er zitten 45 leerlingen op, verdeeld over drie brugklassen van mavo, havo en vwo. Tegen de komst van de school was veel weerstand: de gemeente Amsterdam en het ministerie van Onderwijs wilden het niet en islamitische basisscholen in Amsterdam hadden geen vertrouwen in de kwaliteit. Toch kwam het Cornelius Haga er.

Zes jaar werd erover gesteggeld. De lokale en landelijke overheid vonden de oprichter van de school – de Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO) – geen geschikte partij om een school te besturen. Gemeente en ministerie maakten zich zorgen omdat de voormalige secretaris van de school in 2014 op Facebook steun uitsprak voor terreurbeweging IS, en de rest van het bestuur zich daar niet onmiddellijk van distantieerde.

En het Cornelius Haga zou te veel een doorstart zijn van het voormalige Islamitisch College Amsterdam (ICA). Dat moest in 2010 sluiten omdat veel leerlingen zich uitschreven na negatieve rapporten van de onderwijsinspectie. „Het is in onze ogen een draaideurconstructie”, zegt een woordvoerder van de gemeente Amsterdam.

De gebroeders Atasoy

De reden dat het Cornelius Haga als een doorstart van het ICA wordt gezien, is dat de meerderheid van het bestuur ook bij het oude islamitische college betrokken was. Hoofdrolspelers zijn de Nederlands-Albanese voorzitter Soner Atasoy en diens broer Son Tekin Atasoy. De broers hadden afwisselend een bouwbedrijf, een snackbar in Den Haag en een bakkerij in Rotterdam en Leiden. Vanaf 2005 houden ze zich ook bezig met islamitisch onderwijs.

Son Tekin Atasoy, de oudste van de twee, neemt dat jaar zitting in het bestuur van het ICA. Samen met andere stafleden waakt hij over het islamitische karakter van de school, herinnert Hendrik Verweel zich, directeur van 2008 tot 2010. Zo kent de school een muziekverbod, strikte kledingvoorschriften en een ‘gangwacht’ die erop toeziet dat jongens en meisjes elkaar niet uitgebreid op de gang spreken. Verweel: „Atasoy was daar een fel voorstander van.” Atasoy zelf zegt dat het er in de praktijk er niet zo streng aan toe ging.

Lees ook De tegenstand staat nu op het dak van de islamitische school

De jongere Soner komt drie jaar na zijn broer ook bij het ICA, als stagiair, maar gaandeweg gaat hij zich „met alles bemoeien”, herinnert Verweel zich. Hij krijgt de indruk dat Soner de werkvloer in de gaten moet houden voor zijn oudere broer in het bestuur. Werknemers die „niet zuiver in de leer zijn” worden door hem gerapporteerd, zegt het voormalige schoolhoofd.

Dit zou in één geval hebben geleid tot ontslag. Soner Atasoy ontkent over medewerkers te hebben gerapporteerd. Interne ruzies en slecht onderwijs dragen eraan bij dat leerlingen zich uitschrijven. In 2010 raakt ICA zijn subsidie kwijt en gaat de school failliet.

De Atasoys en een groep kennissen verzamelen zich om een nieuwe school te starten. Onder hen zijn twee docenten, de conciërge en de laatste rector van het ICA. Ook vragen zij Ercan Kaya erbij, een vriend van vroeger.

SIO, de stichting die uiteindelijk het Cornelius Haga zal voortbrengen, wordt in oktober 2010 opgericht – met op papier geen Atasoys. „Die schreven zich niet in, zodat het initiatief niet zou worden geassocieerd met het ICA”, zegt Kaya. Maar de zes wél ingeschreven bestuurders hadden volgens hem niets in te brengen. Kort na de oprichting volgt een aanvraag voor een middelbare school in Amsterdam, die een jaar later wordt goedgekeurd door het ministerie. Soner Atasoy is inmiddels geregistreerd als voorzitter. Son Tekin helpt zijn broer op de achtergrond.

Islamitische waarden

Tussen 2011 en 2013 vertrekken alle oorspronkelijke bestuursleden een voor een, waarna een aantal salafistische moslims – een verzamelnaam voor aanhangers van de fundamentalistische islam – zich bij de school voegt. Als secretaris treedt Abderrazak Khoulani aan, de man die later steun uitspreekt voor IS. Ook Arnoud van Doorn gaat er werken, hoewel de school dit ontkent.

Van Doorn was eerder betrokken bij een omstreden salafistisch lesinstituut in Rotterdam. En penningmeester wordt Sadrettin Karadag, tevens oprichter van de stichting achter Medine Dershanesi, een salafistisch lesinstituut in Den Haag, dat op Facebook teksten over het martelaarschap verspreidt. Karadag is inmiddels niet meer bij het instituut betrokken en zou zelf ook geschrokken zijn, zegt Soner Atasoy, van de uitlatingen op Facebook.

Atasoy weerspreekt dat het Cornelius Haga een salafistische school is. „Dit is geen school met één specifieke geloofsleer. ‘Salafisme’ is een stempel dat mensen die kwaad willen op ons plakken.” Op het Cornelius Haga worden leerlingen slechts „aangespoord” zich te houden aan „islamitische waarden”. Hoofddoeken zijn niet verplicht, zegt hij, maar ieder meisje draagt er een. Naast reguliere vakken krijgen leerlingen twee uur per week islamles. Elke dag wordt één keer gebeden en op vrijdag is er een preek bij het vrijdaggebed. Dan nog een extra les uit de Koran, en Arabisch als keuzevak. Atasoy: „Als de leerlingen geen Arabisch volgen, moeten ze een andere taal nemen. Maar iedereen kiest Arabisch.”

Dat er zorgen zijn over de school, wijt de voorzitter aan de ‘dubbele maat’ die in Nederland gehanteerd zou worden voor moslims. „In de bible belt zijn er scholen waar kinderen niet op mogen als hun ouders thuis een televisie hebben. Daar hoor je niemand over.”

In de wijze waarop de gemeente Amsterdam met de school omgaat, ziet Atasoy ook deze ‘dubbele maat’. Toen na zes jaar procederen duidelijk werd dat de school er mocht komen, kreeg het bestuur pas drie weken voor het begin van het schooljaar de sleutels van een „gebouw vol gebreken”. Nog altijd hebben het scheikundelokaal en de keuken geen gas- en wateraansluitingen. Atasoy laat scheuren in de muren zien. „Er is helemaal geen fundering.” De aannemer zou volgens hem opdracht hebben gekregen „iets tijdelijks neer te zetten”. Voor Atasoy is het duidelijk: „De gemeente vertoont pestgedrag.”

In een reactie zegt Amsterdam dat de timing „niet ideaal” is, maar dat het niet anders kon. Pas een maand voor de start van het schooljaar bepaalde de rechter dat het Cornelius Haga er mocht komen.

Geen eisen vooraf

Dat de school er toch kwam, tegen de wens van de overheid in, heeft te maken met artikel 23 van de grondwet. Met dit artikel kregen ouders honderd jaar geleden de mogelijkheid zelf een bijzondere school te beginnen met overheidsgeld. De wet stelt vooraf nauwelijks eisen. Het enige dat telt is vraag en aanbod: als in een gebied genoeg kinderen wonen van een bepaald geloof, kan daar een school voor worden opgericht. Soner Atasoy maakt gebruik van die wet door aanvragen in te dienen voor scholen in Amsterdam, Almere, Arnhem, Den Haag, Den Bosch, Deventer, Dordrecht, Enschede, Rotterdam, Tilburg en Venlo. De grondslag van de scholen is islamitisch, gecombineerd met protestants, katholiek, vrijgemaakt of hindoeïstisch. Zo hopen de broers het leerlingenpotentieel van die geloven bij elkaar te kunnen optellen en daarmee aan te tonen dat er genoeg vraag is.

Maar de aanvragen werden dit jaar allemaal afgewezen: het leerlingenpotentieel zou verkeerd zijn berekend. Twee eerdere aanvragen in Amsterdam en Den Haag werden aanvankelijk wel goedgekeurd. Hier was de vraag naar een islamitische middelbare school aantoonbaar. Met zijn vele aanvragen probeert Atasoy de plekken veilig te stellen voordat andere initiatiefnemers van islamitische scholen dat doen.

De Haagse basisscholengroep Yunus Emre werd hierdoor dwarsgezeten. Directeur Abdelsadek Maas wilde een middelbare school starten op de wijze waarop hij ook zijn vier basisscholen runt: gericht op emancipatie. De nadruk ligt bij Yunus Emre niet zozeer op de islamitische identiteit, maar vooral op kwalitatief goede lessen, zegt Maas. „In feite zijn wij een doodnormale school, met toevallig een islamitische denominatie.” De aanpak werkt: Yunus Emre krijgt het stempel ‘goed’ van de onderwijsinspectie. De Cito-scores van de scholen liggen hoger dan het landelijk gemiddelde.

De Atasoys kijken anders naar islamitisch onderwijs, zegt Maas. Hij kent een van de broers goed: de kinderen van Son Tekin Atasoy gingen naar Yunus Emre. Maas werd enkele malen door hem aangesproken op de in diens ogen ‘onislamitische’ schoolregels. Zo was Son Tekin erop tegen dat meisjes meegingen op schoolkamp zonder mahram (een begeleidend familielid). Ook stemde hij er aanvankelijk niet mee in dat zijn dochter meedeed aan een buitenschoolse zangvoorstelling, vertelt Maas. Son Tekin zegt dat de twist met de directeur om iets anders ging: hij zou protest hebben aangetekend tegen het vertonen van horrorfilm Saw III in groep 6. Bij gebrek aan een in zijn ogen goede islamitische middelbare school besloot Son Tekin Atasoy zijn dochter vervolgens thuis te onderwijzen. Dat doet hij inmiddels al vijf jaar.

42 rechtszaken

Als Soner, de jongste broer, in 2011 vanwege het grote aantal moslims in Amsterdam een vergunning krijgt van het ministerie van Onderwijs, stapt hij ermee naar de gemeente. Hij verwacht een schoolgebouw toegewezen te krijgen, maar de gemeente ziet af van de standaardprocedure en komt met extra voorwaarden.

Zo eist de gemeente in 2012 dat Atasoy en zijn stichting SIO een toezichthoudende raad instellen. De gemeente wil bovendien inspraak in de samenstelling daarvan. Voorgesteld wordt dat een vertrouweling van de gemeente, jongerenimam Yassin Elforkani, in de raad komt. Het bestuur weigert. „Je kunt niet als overheid zeggen; neem die persoon in je bestuur op, wijzig je statuten, anders huisvesten we je niet”, zegt Soner Atasoy. „Dat heet gewoon chantage.”

Maar de gemeente volhardt, waarop Atasoy naar de rechter stapt. De rechtbank geeft SIO gelijk, maar Amsterdam houdt vast aan de weigering en wint advies in bij de Onderwijsraad. Die bevestigt in 2013 dat de gemeente toch echt met een schoolgebouw op de proppen moet komen.

Ook dat wordt in de wind geslagen. De gemeente voert nieuwe argumenten aan: het verwachte leerlingenaantal klopt niet, er zijn zorgen voor de openbare orde, het bestuur kan haar burgerschapstaak niet goed vervullen. En telkens wordt Amsterdam door de rechter teruggefloten, met verwijzing naar datzelfde artikel 23: er mogen vooraf aan de stichting van een bijzondere school geen eisen worden gesteld. Alleen de leerlingenprognose is van belang.

Als het geschil in oktober 2015 oploopt tot aan de Raad van State, bevestigt de hoogste bestuursrechter dat de gemeente huisvesting moet vinden voor ten minste 186 leerlingen, vanaf 1 augustus 2017.

Atasoy verwacht dat daarmee de kous af is. Maar staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker zet vervolgens de bekostiging van de school op de tocht. Hij geeft de steunbetuiging van Khoulani voor IS als reden. Onterecht, oordeelt de Raad van State ook nu: het bestuur zou tijdig genoeg afstand hebben genomen van Khoulani en zijn opmerking. De secretaris trad twee maanden nadat hij het bericht plaatste af.

Vervolgens eist Dekker medewerking aan een onderzoek dat bepaalt of SIO „in staat is haar wettelijke taken ten aanzien van bestuurlijk handelen waar te maken”. SIO vraagt de juridische grond daarvoor. Die blijkt er niet te zijn; opnieuw oordeelt de Raad van State in het voordeel van de stichting. Ditmaal definitief. Het is dan 26 juli 2017, zes jaar na de toekenning van de vergunning.

Op oneigenlijke gronden

Hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens van Tilburg University volgt het handelen van de overheid met groeiende verbazing. „De gemeente en de staatssecretaris hebben deze school op oneigenlijke gronden proberen tegen te houden”, concludeert hij. „Dat is zonneklaar.”

De rijksoverheid had beter kunnen zorgen voor deugdelijke wetgeving, vindt hij. Het moet mogelijk worden, zei de Onderwijsraad al in 2012, dat de overheid vooraf eisen stelt aan een nieuw schoolbestuur. Maar de voorbereiding van de wetswijziging neemt zoveel tijd in beslag, dat deze nog altijd niet aan de Tweede Kamer is aangeboden. „Men had dit allang kunnen regelen, maar weet kennelijk niet hoe”, zegt Zoontjens. „Dat moeten wij niet deze school, maar de politiek aanrekenen.”

De Atasoys zijn er nog steeds verbolgen over. „Als overheid moet je een rechtmatige vergunninghouder gewoon faciliteren”, zegt Son Tekin. „Nu zijn we zes jaar en 42 rechtszaken verder. En dat alles omdat de gemeente en de staatssecretaris maling hebben aan de wet.” De gemeente bestrijdt dat het zich niets heeft aangetrokken van de wet.

Hoe nu verder? Zowel de gemeente als de broers willen vooruitkijken. „Het is net als bij Star Wars”, zegt Soner Atasoy. „We zijn bij deel vier en dit is pas het begin.” De twee partijen communiceren weer. Atasoy hoopt tot een betere werkrelatie te komen. De gemeente zegt, nu Cornelius Haga een voldongen feit is, ook te streven naar samenwerking. „De school staat er. Het is niet anders.”

    • Andreas Kouwenhoven
    • Kasper van Laarhoven