Recensie

Die beschaafde Bataven toch

Klassieke Oudheid

Het grote historische verhaal speelt geen rol in de tijd waarin de smartphone ons leven bepaalt. Een paar eeuwen geleden was dat wel anders, zo laat het voortreffelijke boek Oudheid als ambitie zien.

De komedie is al zo gewoon dat we haar haast niet meer zien: op straat botsen mensen tegen elkaar op omdat ze niet op elkaar, maar op hun smartphones letten. Ze praten tegen niemand of staren wezenloos in de verte. Ze lijken alleen geïnteresseerd in wat weerklinkt binnen de wanden van hun zelf-gecreëerde bubbel. Dat beeld illustreert hoe radicaal onze scheiding van ‘binnen’ en ‘buiten’ aan het worden is. In die bubbel kunnen we ademen. Daarbuiten bestaat gevaar op verstikking.

In die bubbel telt vooral het nu van de communicatie, van wie in is en wie uit, van hoe je je voelt, van wat je ‘beleving’ is. Als we aarzelend een blik op de toekomst werpen, lijkt het verleden in ieder geval zo dood als een pier. Op school geen jaartallen, maar interactie en vaardigheden. Musea en bibliotheken, vroeger schatkamers van een gedeeld verleden, prijzen zich aan als event. Ons heden komt tot stand in likes, snapchats en WhatsApps. Het verleden zien we als een last, als iets moeilijks en zelfs iets bedreigends.

Tot voor kort was het culturele en politieke verleden essentieel voor het bepalen van onze identiteit. Dat wordt op nuttige en aangename manier duidelijk bij het lezen van een studie van Karl Enenkel en Koen Ottenheym, Oudheid als ambitie: de zoektocht naar een passend verleden, 1400-1700. Het laat op een fascinerende manier zien dat je nog maar een paar eeuwen geleden alleen met behulp van een verleden kon laten zien wie je was. Ieder die er ‘toe deed’ in de samenleving gaf kunstenaars en geleerden opdracht om een bij voorkeur zo klassiek mogelijk verleden voor ze te zoeken, of, als dat er niet was, te verzinnen. Dat kwam in de eerste plaats door behoefte aan bevestiging en legitimatie. Want de sociale, economische en politieke ordes waren zo instabiel geworden dat het de hoofdrolspelers op het maatschappelijke toneel nu juist aan een respectabel verleden ontbrak.

Spannende revisies

Het gevolg was de ‘Renaissance’ van de klassieke Oudheid, de paradigmawisseling van de ‘anonieme’ Middeleeuwen naar een nieuw cultureel en individueel zelfbewustzijn. Een van de spannendste revisies van Oudheid als ambitie is dat het die ‘wedergeboorte’ relativeert: het ging in de vroegmoderne tijd vóór alles om het vinden van een verleden. Wat men aantrof, noemde men ‘klassiek’. Daarbij is het nationale aspect vaak even belangrijk als het klassieke.

Neem de founding father van de Nederlandse identiteit, Erasmus. Wat interesseerde hem het meest? De Bataven! Die zag hij als zijn voorvaders. Dus was Erasmus’ geboortegrond Holland identiek aan het ‘eiland der Bataven’ van de antieke geschiedschrijver Tacitus.

Daar bleef het niet bij. Bataven, volgens Erasmus, waren ‘beschaafd, vriendelijk, van wie niets verder af stond dan woede en kwaadaardigheid’. Dit wensdenken berustte in eerste instantie op polemiek met een laatdunkende opmerking van de klassiek Romeinse dichter Martialis over het ‘Bataafse oor’; maar veel belangrijker was het feit dat hij als buitenlandse geleerde op reis in Italië geen poot aan de grond kreeg.

Erasmus construeerde zijn identiteit dus niet alleen op een fictie van antieke, Bataafse voorouders. Hij deed dat ook omdat hij in Italië werd uitgelachen omdat hij geen fatsoenlijke voorouders had. Maar het gevolg was wel een aantal lange polemieken over de locatie van dat ‘eiland’ die uiteindelijk werkelijke kennis over ons verleden mogelijk maakten.

Erasmus’ verzonnen profiel van beschaafde tolerantie heeft een lange doorwerking gehad, van de Tachtigjarige Oorlog tot op de dag van vandaag. In Oudheid als ambitie blijkt hij alleen maar de bekendste van een reeks nieuwsgierige aagjes, op zoek naar inscripties, weetjes, teksten en bewijzen. De meesten van hen zijn nu vergeten. Hun wederopstanding in Oudheid als ambitie zorgt er voor dat het boek ook een klein komisch meesterwerk is over kleine en grote leugens en vergissingen. Daarbij valt op hoe creatief die misverstanden waren: het ‘verzonnen verleden’ van vervalste genealogieën en inscripties enerzijds, en de kunstwerken waarin wat vroeg-moderne opdrachtgevers en kunstenaars onder Oudheid verstonden gestalte kreeg anderzijds, zijn twee zijden van dezelfde medaille. Het aardige van het boek is dat het de vroegmoderne protagonisten niet uit- maar toelacht: ze illustreren immers een menselijke komedie van bedrog en eigenwaan die ook wij in ons dagelijks leven nu spelen, maar met andere middelen.

Veelheid aan stemmen

Enenkel en Ottenheym zetten een aantal gemeenplaatsen over de ‘Renaissance’ totaal op hun kop. In de eerste plaats blijkt dat men voor identiteitsconstructie even vaak en even graag teruggreep op een ‘Middeleeuws’ als op een ‘klassiek’ verleden; tegelijkertijd werd dat Middeleeuwse verleden vaak niet als zodanig geïdentificeerd, omdat de periodisering van diezelfde Middeleeuwen nog niet bestond en menigeen de Oudheid liet doorlopen tot in de twaalfde eeuw. In de tweede plaats krijgt de vroegmoderne cultuur niet gestalte in een paar richtinggevende centra zoals Rome, maar door een duizelingwekkende veelheid van stemmen en centra, waarvan het boek vooral Nederland onder de loep neemt. En overal zaten humanisten en kunstenaars als een nieuwe ‘priesters’ van het verleden verschillende oudheden te bekokstoven. Zo blijkt het met de oudheid van Ottenheym en Enenkel te zijn als met de paella in Spanje: er zijn er net zo veel varianten van als er koks zijn die haar bereiden.

Wat zich zo openbaart is een ‘Renaissance’ waarin de grenzen vervagen, zowel in chronologische als in topografische zin; waarin het centrum wegvalt, en ‘het’ verhaal fragmenteert. Maar wat zich ook openbaart is de oorsprong van het historische cultuurlandschap van Nederland. Oudheid als ambitie is daarom ook te gebruiken als een fascinerende historische reisgids, langs de stadhuizen van de Hollandse steden bijvoorbeeld, of de fictieve Romeinse burchten langs de grens van het Romeinse Rijk die door Nederland liep. Middeleeuwse elementen in de ‘klassieke’ 17de eeuw in Nederland, die op het eerste gezicht zo vreemd lijken, worden dank zij Oudheid als ambitie plotseling logisch.