De ringslang kronkelt weer in Amsterdam-Noord

Biodiversiteit

Slangen: eng en gevaarlijk, toch? Ja, die in Artis wel. Maar de ringslang is volkomen ongevaarlijk. Bijna verdwenen was hij, maar dankzij de stadsecoloog keert hij in hoog tempo terug in en om Amsterdam.

Ringslangen keren in hoog tempo terug in Amsterdam-Noord en directe omgeving. Foto Getty

Nu iedere uithoek van Amsterdam wordt vol gebouwd met woningen zou je haast vergeten dat er ook nog dieren zijn met behoefte aan een veilig thuis. Maak kennis met de enige slangensoort van Amsterdam: de ringslang. Bruin tot olijfgroen van kleur, kan bijna anderhalve meter lang worden en dankt zijn naam aan de geelgekleurde ring vlak achter zijn kop. Levensgevaarlijk voor wormen, padden en muizen, maar volkomen ongevaarlijk voor de mens.

Om te overleven heeft de slang ons juist nodig: voor de aanleg van een broeihoop, waarin de vrouwtjes in de zomer hun eieren kunnen leggen. De eitjes, zo groot als een paaseitje, gedijen het best bij een temperatuur tussen de 25 en 30 graden. „Ik wil ervoor zorgen dat we een leefbare stad hebben voor mens en dier”, zegt stadsecoloog Fred Haaijen, werkzaam voor stadsdeel Noord. Ringslangen in Amsterdam zijn er al sinds er mensen zijn, zegt hij. Vroeger maakten de slangen gebruik van mesthopen van veehouders om hun eieren in te leggen, maar die zijn niet meer toegankelijk sinds de strengere regels rond uitstoot van fosfaat en stikstof. Daarom neemt Haaijen de verantwoordelijkheid op zich voor het aanleggen en monitoren van broeihopen in Waterland-Oost. Zo’n twintig stuks, van het oostelijk deel van Noord tot Monnickendam. Ook zijn er broeihopen in het Amsterdamse Bos, het Diemenbos en in Muiden.

Witte goud

Het aanleggen van de hopen gebeurt in het voorjaar; in natuurgebieden, op stukken gras naast de waterkant, maar ook gewoon in de berm, zoals naast de weg in Durgerdam. Haaijen wordt hierbij geholpen door enthousiaste buurtbewoners. „Het zijn net militaire expedities”, zegt Haaijen over de middagen dat hij op stap gaat met enkele tientallen vrijwilligers, in de hoop het „witte goud” te vinden, zoals Haaijen het zelf noemt. Hij is blij dat vrijwilligers inmiddels ook zelf het voortouw nemen, in de Ringslangwerkgroep Waterland-Oost. „Zo mooi dat mensen met passie dit oppakken. Deze werkgroep is óók mijn witte goud.”

Hoe meer opengebroken eieren ze vinden, hoe meer slangen er zijn geboren. Ze kunnen tot 20 jaar oud worden, al redden de meeste dat niet. „Veel slangen worden in hun jonge jaren opgegeten door bijvoorbeeld een buizerd. In de natuur is het eten of gegeten worden.”

Dit jaar zijn er al 1.461 eitjes gevonden, ruim twee keer zoveel als vorig jaar – een ongelooflijk succes. Hoe dat kan, is ook Haaijen een raadsel. „We hadden dit nooit verwacht, het is echt een mysterie.” Daarbij heeft de ringslang ook nieuw territorium weten te veroveren. „Er is een doorbraak in het noorden: de slangen zijn vanuit Marken opgetrokken naar Katwoude.”

Eitjes van de ringslang. Foto stadsdeel Noord

Explosief mengsel

Hij leerde de kunst van het broeihopen aanleggen van stadsecoloog Martin Melchers, die daar al in de jaren 90 mee in de weer was. Melchers gaf het recept 15 jaar geleden aan Haaijen, toen deze dit ook wilde gaan doen in Noord. ‘Recept’? Ja, want het luistert allemaal nogal nauw, zo blijkt. „Het is een explosief mengsel voor de broeislang”, legt Haaijen uit: een derde takkenhaksel, een derde paardenmest, en een derde grasmaaisel. Met als slotstuk een bak water, die op het laatst over de hoop wordt gegooid. Onder in de hoop liggen vier kruislings neergelegde grote takken waarlangs de ringslangen ruimte vinden om in de broeihoop te kruipen, op zoek naar een plek met de ideale temperatuur.

Je hebt een getraind oog nodig om een slang te spotten, omdat ze zich verschuilen onder het gras of andere begroeiing. Maar als Haaijen er een ziet pakt hij ze graag op. „De slang trekt dan zijn bek open, maar daar ben ik niet van onder de indruk.” Dat is hij wel van de stinkende vloeistof die de slang bij het vastgrijpen loslaat.

Ook al bewegen de slangen zich haast onzichtbaar voort, toch worden niet alle Amsterdammers gelukkig van de ringslangen. „Sommigen zijn er bang voor”, zegt Haaijen, die vreest dat mensen in Amsterdam steeds meer vervreemd raken van de natuur. Hij is dan ook blij te zien dat de kinderen die meegaan op expeditie er net zoveel plezier uithalen als hijzelf. „Dat zijn de natuurbeschermers van de toekomst.”