Foto Merlijn Doomernik

Romana Vrede: ‘Ik zie niet dat ik zwart ben. Dat zie jij’

Actrice die Theo d’Or kreeg

Romana Vrede won een Theo d’Or en verloor twee relaties. Alles bij elkaar geeft ze het jaar een acht min. „Die relatie was wel fantastisch. En ik heb er wat van geleerd.”

De zwarte kat gaat ze wegdoen. Dat is zo’n beetje het eerste wat Romana Vrede zegt als ze me heeft binnengelaten in haar Rotterdamse appartement. Ze heeft ook een witte. De zwarte vraagt te veel aandacht. Ze sluit hem buiten op het balkon.

Romana Vrede (45) bepaalt grotendeels de richting van het interview. Er zijn genoeg voor de hand liggende onderwerpen, om te beginnen het winnen van de Theo d’Or voor beste actrice, voor haar rol in Race bij het Nationale Theater. Dan haar glorieuze rol van Mariam Traoré in The Nation, ook van Het Nationale Theater, ook van regisseur Eric de Vroedt, die haar binnenhaalde bij het Haagse gezelschap. Dan haar rijzende ster in de media, met meest in het oog lopend haar rol als tafeldame in De Wereld Draait Door. Maar eerst wil Romana Vrede praten over mooi toneel dat ik heb gezien. En dan is ze vertrokken.

Revolutionary Road van Theater Rotterdam.

Vrede: „O ja, zo’n stuk over white people’s problems. Niets ten nadele van de makers van Revolutionairy Road hoor, maar wij in het Westen denken dat het hebben van een relatie een probleem is. Wij – ik ook hoor – kijken niet verder dan onze witte neus lang is. Al die relationele drama’s, het zijn net soaps. Waarom kijken we daar nog naar?

„Beeldend kunstenaars durven toch veel meer? Het hoeft niet altijd een verhaal te zijn. Toneel kan ook abstract zijn, als dans, of alleen een drive, herhaling, actie-reactie.”

Zoals uw voorstelling over uw autistische zoon: Who’s afraid of Charlie Stevens?

„Hij maakt bewegingen waarvan ik denk: ik snap het niet, maar ik kan het wel volgen. Though this be madness, yet there is method in it [citaat van Polonius in Hamlet, RR]. Ik zou het tof vinden als we meer als Charlie op het toneel zouden zijn.”

Uw mede-acteurs frummelden aan de kleding en sieraden van toeschouwers. Waarom?

„Ik wilde de mensen laten ervaren hoe het is om in zijn buurt te zijn. Om het vreemde te ervaren dat je niet kan vangen.”

Kunt u Charlie lezen?

„Redelijk. Hij is vrolijk, maar het komt agressief over. Charlie inspireert me, omdat hij keuzes maakt die me verbazen. Als je hem ziet bewegen, en kijkt alsof het dans of abstracte kunst is, dan betaal je waarschijnlijk 12,50. Maar omdat het een autist is, zeggen we: hier moet persoonsgebonden budget tegenaan. Charlie helpt mij bij het acteren, bij het maken van pauzes en overgangen. Dat iedereen denkt: ‘Huh. Wat doet Romana nou?’ Dat vind ik leuk.”

Bij haar debuut als tafeldame bij DWDD sprak Vrede over autisme en haar zoon Charlie.

Om vanuit het ongerijmde iets te doen?

„Ja.” Ze gromt hard, ergens tussen een leeuw en een grote kat in: „Wrrraaaghhh.” En nog eens. „Eric de Vroedt noemt mij Romana Vrede-Wrrraaaghhh.” Ze schatert het uit. „Dat is wat ik af en toe doe. Wrrraaaghhh. Wrrraaaghhh. Wrrraaaghhh. Als een emotionele dwaas, een psychotisch-borderliner-achtig type.”

Toen De Vroedt u bij zijn eigen aantreden aannam, noemde hij u in NRC „even intelligent als gek”.

„Dat vind ik fijn om te horen. Dat mag wel op mijn grafsteen. Want dan denk ik: ‘Het is me gelukt om een beetje op Charlie te lijken.’ Het mooie van Charlie is dat hij de dag elke keer aangaat. Hij trekt zich niet terug. In zijn wereld is het een feest!”

Lees ook het interview met Eric de Vroedt: ‘Ik ben voor poepchinees uitgescholden’

Dus u kunt wel met hem feesten?

„Zeker. Vooral als je chocola en ijs hebt. Af en toe is het geen feest. Hij is 15, maar fysiek volgroeid. Hij weegt 15 kilo meer dan ik en af en toe wordt hij woest. Dat heeft hij altijd gehad, maar nu is het een grote sterke vent en dan loopt hij me achterna om mijn ogen uit te drukken of me te kelen. Dan probeer ik te ontsnappen. Meestal zijn mijn kleren al gescheurd. Dan lok ik hem naar zijn kamer en doe de deur op slot. Laat ik hem even uitrazen. Dat zeg ik ook tegen hem. Want het is niet te doen.”

Het klinkt levensgevaarlijk.

„Zo stilletjes aan zijn we op zoek naar een plek waar hij fulltime zorg kan gaan krijgen. Hij is nu nog afwisselend vier dagen bij mij, vier dagen bij zijn pappa. Tegelijk denk ik ook: dit gaan ze niet pikken in een instelling. Dan spuiten ze hem plat. Aan de ene kant willen we de zorg uit handen geven, aan de andere kant niet.

„Het is een obsessie voor mij hoor, mijn kind en zijn autisme. Het voelt alsof ik er zeven dagen in de week mee moet dealen.”

U kunt het niet loslaten?

„Ik wil altijd alles begrijpen. Dat is ook mijn vak als acteur. Als ik het kan begrijpen, dan kan ik het spelen. Als ik me kan voorstellen wat het is om je kinderen te vermoorden, en dat kan ik, dan kan ik het spelen. Ik hoef het niet te doen. Maar ik moet weten waar het bij mij vandaan zou komen. Dus hoe zou ik in elkaar zitten, wil ik kunnen zeggen: die kinderen gaan dood. Hoe zou ik tot die gedachte kunnen komen?”

Gaat die obsessie nooit vermoeien?

„Ja, ik ben er klaar mee. Ik heb geen tijd meer voor een relatie, ben alleen maar aan het werken. En als ik Charlie niet heb en niet hoef te werken, zoals gisteren, voor het eerst in vier maanden, dan…” Ze maakt een hulpeloos gebaar. „Dan zit ik in een soort stand-by.”

Gaat u niet op vakantie?

„Ik ga op werkvakantie. Vrijwilligerswerk doen in het autisme-instituut. Of ik doe yoga ashram: om zes uur opstaan en mediteren. Maar niks doen, kan ik niet. In New York ging ik naar het MoMA, inspiratie opdoen.

„Wat ik hoopte was dat ik in New York niet op zou vallen. Is niet gelukt. Er werden daar ook foto’s van me gemaakt. Heeft te maken met gender: mensen kunnen me niet plaatsen. Als kind dachten mensen ook dat ik een jongetje was. Het lijkt me fijn om eens op te gaan in de massa.”

Ik hoopte dat ik in New York niet op zou vallen. Maar er werden daar ook foto’s van me gemaakt

Romana Vrede

Hoe jongensachtig was u?

„Ik leek op een jongetje en deed jongensdingen: vlotten bouwen, in de sloot vallen, in de bouw spelen, kikkers en ratten vangen. Met meisjes had ik niet zoveel. Die huilen de hele tijd. Hadden ze weer iets. Alles zachtjes. Kletsen. Er gebeurde niks! Die deden niets. Meisjes zeiden ook altijd nee.” Doet aanstellerig toontje: „‘Nee, dit moet zo’.

„Een keer was een meisje weer zo irritant aan het praten en toen gaf ik haar een schop. Daar werd ik agressief van.”

U hebt er geen spijt van?

„Totaal niet. Ik gaf haar een reden om te huilen.” Ze lacht uitbundig. „Ik heb het wel eens in een voorstelling gebruikt.”

Heeft u zulke impulsen nu onder controle?

„Nou nee hoor. Ik ben redelijk driftig. Ik hoor altijd van mijn vriendinnetjes: ‘Als ik iets doe, dan betaal je me dat tien keer harder terug. Stel, zij zegt in een ruzie: ‘Jeetje wat ben je een kutwijf.’ Dan ga ik als een malloot tekeer. Dat de ander denkt: ‘Jeetje, ik zei alleen maar kutwijf en nu moet mijn oma opnieuw geboren worden om te sterven aan een ziekte.’ Dat! Tot huilens toe maak ik ze dan kapot.”

Waarom mag niemand u pijn doen?

„Weet ik niet. Ik neem mijn pijn heel serieus. Het brandt van binnen. Ik denk dat ik erg gevoelig ben. Ik weet dat ik superstoer ben en sterk, maar misschien dat ik” – de rest van de zin fluistert ze, alsof ze een geheimpje vertelt – „dat eigenlijk totaal niet ben.”

Wat voor rol was Susan in Race?

„Ik moest haar meisjesachtig spelen, want ze is jong. Superslim, maar wetend dat ze in een mannenwereld leeft, zoals ieder meisje dat weet. Onbewust zet ze haar seksualiteit in om gehoord te worden. Door mee te doen en te lachen. Tot ze zich afvraagt: in hoeverre draag ik bij aan seksisme en racisme?”

Susan is minder bezig met het feit dat ze zwart is dan het publiek?

„Klopt. Maar ze komt erachter dat ze er wel mee bezig is.”

Is dat herkenbaar?

„Zeker! Ik zie niet dat ik zwart ben. Dat zie jij. De enorme focus op mijn kleur zet me elke keer weer even buiten spel. Snap je? Er wordt iets uitgehaald wat er niks mee te maken heeft. Van ‘actrice’ word ik opeens ‘zwarte actrice’.

„Toen ik 20 was, was mijn kleur spannend, een noviteit. Daarna was ik de eerste zwarte vrouw op een toneelschool. De eerste zwarte vrouw in dienst van een groot toneelgezelschap. De eerste vrouw genomineerd voor de Theo d’Or. De eerste zwarte vrouw die de Theo d’Or won.”

Baalt u ervan?

„Het wordt troebel. Ik wil graag winnen omdat ik briljant ben. Nu ligt de focus op zwart zijn.”

Twijfelt u aan de motieven van de jury?

„Dat niet. Wat ik wel weet is dat we er als sector klaar voor waren. En godzijdank besta ik. Is er een goede actrice waar ze hem aan kunnen geven. Gelukkig voor hen dat ik er ben. Ik maak een grapje, maar ik meen het wel. En ik ga er vanuit dat ik de eerste ben, maar niet de laatste.”

Wat is uw talent als actrice?

„Dat ik expressief ben, heel aanwezig. Niet ironisch, zoals Hein van der Heijden kan spelen. Die kan jazz. Ik ben krachtig en sterk, ik ben de beat.

„Tot nu ben ik altijd geregisseerd op mijn kracht, op mijn beat. Eric is de enige die van mij altijd zwakke vrouwen maakt. Met relatief weinig tekst, lijdend voorwerp, kwetsbaar, de zachte kant. Tegenovergesteld aan wat mensen van mij verwachten. Dat vind ik tof. Daarom ben ik fan en verheerlijk ik hem bijna.”

De vraag waar ik voor kwam: wat was 2017 voor jaar voor u?

„Ik speelde in Race. Toen ging het in februari uit met mijn vriendin, na tweeënhalf jaar. In april leerde ik een nieuw meisje kennen en daar is het onlangs mee uitgegaan, na zeven maanden.”

Waren dat pijnlijke scheidingen?

„Ik heb zelf gezegd: dit gaat het niet worden. Allebei zeiden ze: ‘Ik heb het gevoel dat ik niet eens op nummer twee sta.’ Allebei. Eerst komen mijn zoon en mijn werk.”

2017: artistieke pieken, relationele dalen. Een zesje?

„Een acht min. Die relatie was wel fantastisch. En ik heb er wat van geleerd. Dat ik niet verantwoordelijk ben voor iemand anders’ geluk. Ik moet niet de hele tijd willen pleasen.”

„Ik kan geen revolutie ontketenen”, zei u in de dankspeech bij het aanvaarden van de Theo d’Or.

„En dat ik geen activist ben, maar actrice.”

Foto Merlijn Doomernik

Maar door uw gestegen status kunt u iets zeggen dat impact heeft. Had u zin om te twitteren over de Sinterklaas-intocht in Dokkum?

„Nee. Dat blijft zo. Waar ik wel zin in had, was waar ik voor bij DWDD zat: die kalender met zwarte modellen. Omdat ik het mooi vond dat die zwarte mensen geen knappe modellen maar weirde types waren. Ik herken mezelf veel meer in zo’n lang meisje dat bijna op een insect lijkt. Dat raakte mij.”

Waarmee u ook zegt: kijk voorbij het zwart?

„Ik ben geen typische black activist, meer een anders-zijn activist. Ik zeg liever iets over autisme of iets wat buiten de norm valt. Soms valt zwart buiten de norm. Bij DWDD had ik wel: dit is de laatste keer dat jullie me hoeven te bellen voor een zwart item. Bel me voor The Nation, over gender, over homoseksualiteit, over Rotterdam.”

Vergeet de kleur?

„Hoe belangrijk dat ook is. We moeten door. Het enige wat ik over Dokkum wil zeggen: is het niet zo dat als je het ergens niet mee eens bent dat je daar dan niet naar toe gaat? Is het niet een groter en belangrijker signaal om iedereen op te roepen om niet naar Dokkum te gaan en in plaats daarvan demonstratief Sinterklaas te vieren in Rotterdam met roetveegpieten en iedereen die pro-roetveegpiet is? Dat zou een waanzinnig veel mooier en positiever protest zijn geweest.

U mijdt verhitte twitterdiscussies?

„Vaak wordt me door zwarte activisten verweten dat ik laf ben, een bounty, maar ik spreek me wel uit. Dat zien ze ook wel. Het doel is hetzelfde: inclusiviteit. In mijn speech zei ik: ‘Ik heb tegelijk met iedereen leren ontdekken dat Zwarte Piet racisme is.’ Ik leer ook, met vallen en opstaan.”

Is u niets overkomen waardoor u dacht dat Zwarte Piet niet deugde?

„Dat gebeurde wel. Maar ik accepteerde dat. Zoals je accepteert dat je dikke mensen bolle noemt. Of kinderen met rood haar: rooie. En dat je later denkt: is dat wel zo leuk?”

U hoort in het rijtje: bolle, rooie, zwarte, beugel, neus? Uw kenmerk was uw huidskleur?

Ze lacht. „Pas later besef je: dit is een discriminerende opmerking, en dat is een racistische opmerking. Ik heb misschien wel meer ervaring en ik weet hoe het voelt, maar ik heb niet het alleenrecht op de oplossing.”

Dichter Tonnus Oosterhoff kreeg in 2012 de PC Hooftprijs, maar hij begon als anonieme auteur van de Bouquetreeks. Net zo fascinerend is dat u, winnaar van de Theo d’Or, werkte als danseres op housefeesten.

„O, jaja. Dat verdiende heel goed. Bij Now&Wow-parties. Ik kan me er niet zo heel veel meer van herinneren. Soms ging ik in mijn eentje naar een disco en dan kreeg ik 35 gulden per kwartier dansen. Ik was net gestopt met mijn studie sociologie. Het leven leek een lange zomer. Na een jaar begon ik bij de toneelschool. Maar ik ben ook nog drie jaar Jehova’s getuige geweest.”

Wanneer? Waarom?

„Ik was zestien. Anderen gaan blowen. Ik vroeg me af wat de zin van het leven was. Ik ontmoette een jongen die Jehova’s getuige was en die nam me mee. Ik dacht: ‘Dit is het antwoord.’ Toen ben ik gedoopt en ben ik langs de deuren gegaan. Tot mijn negentiende.

„Het antwoord op de vraag waartoe we hier zijn was: dat is Gods keuze. Maar de demonen zijn losgelaten en daarom gaat het slecht met de wereld. Op een gegeven moment komt God terug en wordt dit het paradijs. Dan zal blijken wie er gered wordt.”

Waarom bent u er uitgestapt?

„Ik had seks met een jongen. Dus ik werd uitgesloten.”

Was dat pijnlijk?

„Wat ik had geleerd, was dat God mijn hart kent. Nog beter dan ik mijn hart ken. Dus ik dacht: dan moet God weten dat ik een goed mens ben. Dus in hoeverre spreekt die ouderling die mij uitsluit namens God? Ik zag ineens dat de kerk een menselijke constructie is en niks te maken heeft met mijn relatie met God.”

Hoe is uw relatie met God nu?

„Goede vraag. Mijn relatie is dat ik af en toe met hem spreek, in de zin dat ik met mezelf spreek. Eigenlijk is het aan het einde van de dag je dag overdenken.

„Ik weet: je kan niet uitgesloten worden van mens zijn. Dat contact heb ik nog met God. Dat is een leuk contact. Ik geloof in inclusiviteit, ook bij God.”