Goed rondleiden is een vak

Musea Wat maakt iemand een goede museumrondleider? Historicus Mark Schep deed er onderzoek naar. „Met een goede gids zie je écht meer.”

Illustraties Tjarko van der Pol

Talloze vragen hoorde Anita Liemburg sinds ze twintig jaar geleden haar eerste rondleiding in het Joods Historisch Museum in Amsterdam gaf. Dat begon als een bijbaantje, naast haar studie kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit. „Rondleiden, dat werd destijds niet als écht werk gezien.”

Inmiddels is Liemburg rondleider in tien grote musea in de regio Amsterdam. Toeristen, kleuters, alzheimerpatiënten, opstandige pubers en professoren met emeritaat – je kunt het zo gek niet verzinnen of Liemburg heeft met ze door een museum gelopen. Iedere groep heeft een eigen dynamiek, en iedere groep stelt weer andere vragen. Maar één vraag komt steevast terug: „Mevrouw, krijgt u hier voor betaald?”

„Jazeker”, antwoordt Liemburg dan altijd. „Maar niet genoeg.”

Hoe breng je informatie over zonder alleen maar te zenden?

Een populair vak

Hoeveel museumrondleiders er in Nederland zijn is lastig in te schatten. Een officieel register is er niet, iedereen mag zich in principe ‘rondleider’ noemen. Het gilde is bovendien divers, uiteenlopend van gepassioneerde hobbyisten tot gepromoveerde kunsthistorici. Het merendeel bestaat volgens Liemburg uit vrijwilligers. En dan zijn er ook nog de tourguides, ‘allround’ gidsen die groepen toeristen begeleiden en allerhande trekpleisters aandoen. Gespecialiseerde museumrondleiders vormen een kleine minderheid.

Liemburg werpt zich op als belangenbehartiger van die groep. Rondleiden is namelijk een vak, vindt zij, en bij een vak hoort een vakbeweging. Drie jaar geleden richtte ze met een aantal collega’s de BRAM op. Inmiddels heeft de Beroepsvereniging voor Rondleiders, Acteurs en Museumdocenten zo’n honderd leden. Die leden werken vrijwel allemaal op freelancebasis, een enkele uitzondering daargelaten. De meesten doen er ook klussen naast: ze stellen tentoonstellingen samen, staan voor de klas of organiseren workshops. Van rondleiden alleen kun je volgens Liemburg zelden rondkomen. „In ieder geval niet als je een gezin hebt.”

Want zelfs al betalen de grotere Amsterdamse musea bijvoorbeeld tussen de 40 en 55 euro per uur, de meeste rondleiders hebben volgens Liemburg slechts een paar rondleidingen op een dag. De onbetaalde uren ertussenin zijn loze uren: daarin kun je moeilijk ander werk doen. Uit een enquête onder BRAM-leden bleek 55 procent van de ondervraagden met enkel rondleidingen geven minder te verdienen dan het jaarlijkse minimumloon.

Desondanks is rondleiden een populair vak. Zo populair zelfs dat het aanbod, zeker in de Randstad, velen malen groter is dan de vraag. Toen het Amsterdamse Rijksmuseum tijdens de verbouwing rondleiders zocht voor na de heropening in 2013, meldden zich 1.600 mensen. En ook bij het Stedelijk Museum Amsterdam en het Van Gogh Museum, die in ongeveer dezelfde periode verbouwden, bleek het animo groot.

Lees meer over de luxepositie van het Rijksmuseum in 2013 : Rijksmuseum: run op banen als gids of beveiliger

Het overschot aan kandidaten wierp een belangrijke vraag op: als je uit zoveel mensen de beste kandidaat moet kiezen, waar let je dan op? Wat moet een rondleider kunnen? Het hoofd van de afdeling educatie van het Stedelijk Museum raakte erover in gesprek met haar collega’s van het Rijksmuseum, het Van Gogh, en een vakdidacticus van de Universiteit van Amsterdam.

Het leek een voor de hand liggende vraag: waar moet een goede museumrondleider aan voldoen? Maar tot verbazing van de gesprekspartners bleek het nooit wetenschappelijk onderzocht. De universiteit en de drie musea besloten daarom zelf een promotie-onderzoek op touw te zetten. Met de financiële steun van twee culturele fondsen – Fonds 21 legde 125.000 euro in, het Mondriaan Fonds 75.000 euro – wisten ze voldoende budget bij elkaar te krijgen. Er ontbrak alleen nog een geschikte promovendus.

Mark Schep, historicus en psycholoog, zag in de functie-eisen „bijna letterlijk zijn cv beschreven”: een (kunst)historicus met een educatieve master en het liefst ook een achtergrond in de sociale wetenschappen. Schep werd aangenomen, kreeg een contract voor vier jaar en een zeer duidelijke opdracht: een profiel opstellen van de ideale museumrondleider.

De rondleider 2.0

Voor zijn onderzoek interviewde Schep zestien rondleiders en diverse museumeducatoren, die een belangrijke rol spelen in het samenstellen van de rondleidingen. Op basis van de gesprekken stelde Schep een lijst op met in totaal vijfenveertig competenties waaraan een goede rondleider moet voldoen. Van „tijdmanagement” tot „reflecteren op het eigen handelen” – rondleiden blijkt een veeleisend vak.

„Je kent ze wel”, zegt Schep. „De rondleiders die een vaste route van object naar object lopen en bij ieder kunstwerk een min of meer voorgekookt verhaal vertellen. De inbreng van de groep is minimaal.” Die tijd is wat hem betreft definitief voorbij. De rondleider 2.0 is een „facilitator” en een „mediator”. Hij of zij probeert een persoonlijke connectie tussen de groep en de kunstwerken te leggen. Hoe? Door goed te luisteren bijvoorbeeld. Volgens Schep een onderschatte kwaliteit. „Je stelt vragen natuurlijk, maar het gaat erom wat je met de antwoorden doet. De inbreng van de groep moet centraal staan.”

„We vragen inderdaad nogal wat van onze rondleiders”, zegt Marthe de Vet, hoofd educatie van het Van Gogh Museum. „Allereerst vragen we inhoudelijke kennis, dat is toch je bagage.” Maar rondleiders moeten die kennis ook flexibel in kunnen zetten. „Als een bezoeker ineens over Rembrandt begint, moet een rondleider wel weten hoe Van Gogh over Rembrandt dacht.” De musea aan het Amsterdamse Museumplein hanteren alle drie strenge selectiecriteria en uitvoerige inwerkperiodes. Zo werken ze met ‘videocoaching’, waarbij rondleiders beelden van zichzelf terugkijken, en organiseren ze proefrondleidingen met acteurs.

Om drie uur ’s middags staat een klas er heel anders bij dan om negen uur ’s ochtends

De eerste vijf minuten van een rondleiding zijn cruciaal, zegt Liemburg van het Joods Historisch Museum. „Daarin maak je een inschatting van de groep. Wat weten ze al? Met welk doel komen ze hier? Wat willen ze zien?” Een vwo-klas vergt een andere benadering dan een vmbo-klas. En ook belangrijk: komt de groep uit de buurt, of hebben ze net uren in de bus gezeten? „Om drie uur ’s middags staat een klas er heel anders bij dan om negen uur ’s ochtends.” Vooral pubers moet je voor je zien te winnen, zegt Liemburg. „Die staan er soms écht met tegenzin.” Een grapje wil dan nog wel eens helpen. „Jullie mogen niets aanraken”, zegt ze dan bijvoorbeeld. „Behalve elkaar, mits het gewenst is.”

Communicatieve vaardigheden zijn essentieel. „Spelen met je stem”, zegt Liemburg. De juiste toon vinden, variëren in volume. Maar ook mimiek en non-verbale communicatie spelen een belangrijke rol. Die vaardigheden zijn natuurlijk aan te leren. Al is dat volgens Schep een stuk ingewikkelder dan het aanleren van kennis.

Uiteindelijk zoekt iedere rondleider naar „dat magische moment”, zegt De Vet. „Het moment waarop iemand persoonlijk geraakt wordt. Dat is het hoogste doel.” Méér zien, door een kunstwerk langer én samen te bekijken – dat is wat Liemburg probeert te bewerkstelligen. Het gaat erom dat je iemands blik vertraagt, zei een andere rondleider tegen Schep.

Eenrichtingsverkeer

Scheps onderzoek richt zich zogezegd op professionele museumrondleiders. Toch denkt hij dat zijn profielschets ook nuttige inzichten kan geven aan vrijwilligers. Regelmatig wordt hij benaderd door kleinere musea, die graag van zijn onderzoek willen leren. „Iedere rondleider die ervoor open staat zichzelf te verbeteren kan de competentielijst gebruiken”, zegt Schep. „Of je nu betaald krijgt of niet.”

Zelf geeft Liemburg regelmatig trainingen aan vrijwilligers. Haar bevindingen: „Ze weten meestal heel veel van een onderwerp af, de passie spat ervan af. Maar het is vaak eenrichtingsverkeer. De gids vertelt, de groep luistert.” Liever zorg je ervoor dat de kennis uit de groep komt. „Hoe breng je informatie over zonder alleen maar te zenden?”

Sinds Schep voor zijn onderzoek met tientallen rondleidingen meeliep, realiseert hij zich dat je met een goede rondleider écht meer ziet. Vroeger liep hij regelmatig op eigen houtje door een museum. Dat zou hij nu zonde vinden. Zijn ontzag voor het vak is ontegenzeggelijk toegenomen. Of hij zelf weleens een rondleiding gaf? Schep lacht. „Toen ik student was in Utrecht, leidde ik groepen rond in de Domtoren. Daar kwam weinig flexibiliteit bij kijken. Er was maar één route: omhoog. En dan weer naar beneden.”

Hans van der Zwaan (70), vrijwilliger en voormalig politieman

Toen Hans van der Zwaan met pensioen ging voelde hij zich „te fris en te jong om thuis te gaan zitten”. Zijn vrouw wees hem op een advertentie: het Stadsmuseum Almelo zocht rondleiders. Na een gesprek van drie kwartier werd Van der Zwaan „kennelijk goedgekeurd”. Een training heeft hij nooit gehad. Officiële evaluatiegesprekken zijn er ook niet. „Maar de conservator houdt het gastenboek wel goed in de gaten. Als daar kritiek in staat, krijg je dat te horen.”

„Iedereen doet het hier op zijn eigen manier”, vertelt Van der Zwaan. „Het basisverhaal is hetzelfde, maar we leggen andere, persoonlijke accenten.” Zijn favoriete deel van het museum toont de opkomst en ondergang van de Twentse textielindustrie. „Daar kan ik uren over praten. Soms roep ik mezelf wel tot de orde, hoor. Als ik zie dat bezoekers de andere kant op kijken, of van de ene op de andere voet hinken. Dan is het mooi geweest.”

Ad Leurs (69), vrijwilliger en voormalig geschiedenisleraar

Ad Leurs was dertig jaar lang geschiedenisleraar op een middelbare school in Amsterdam Noord. Sinds zijn pensionering verzorgt hij zo’n twee dagen per week rondleidingen in het Amsterdamse Verzetsmuseum. „Wel de lusten, niet de lasten”, zo beschrijft Leurs van zijn nieuwe werk. „Als ik hier een vervelende groep heb, ben ik er na een uur weer vanaf.” Gelukkig gebeurt dat niet vaak. „Soms komt een klas chagrijnig binnen en krijg ik aan het eind toch een luid applaus.”

Het Verzetsmuseum laat de redelijk vrijwilligers vrij in de invulling van de rondleidingen. Al is er wel een vaste route: het museum behandelt de Tweede Wereldoorlog chronologisch. „Maar als het druk is, kun je moeilijk met dertig leerlingen tegelijk bij het begin beginnen.” Soms begint Leurs daarom bij de hongerwinter of de bevrijding. „Zo doen wij dat hier niet”, reageerde een collega eens. Daar trok Leurs zich niets van aan: „De uitslag van de oorlog kennen we al, toch? Dit onderwerp maakt in een andere volgorde ook wel indruk.”

Maar de rondleiders hebben het doorgaans heel gezellig onderling, benadrukt Leurs. „Drie keer per jaar is er een borrel, en we krijgen zelfs een kerstpakket!”

    • Daan Kool