Foto Andreas Terlaak

Tim Fransen: ‘De penis is een dankbare bron van humor’

Cabaretier

Filosoof-cabaretier Tim Fransen worstelt zich het jaar door met Kant, Beethoven en Napoleon. Voor zijn volgende programma.

18 juni: try-out in Toomler, Amsterdam.

Op een warme zondagavond doet Tim Fransen (29) een try-out van drie kwartier in club Toomler, de comedyzaal onder het Hilton in Amsterdam-Zuid. Het is een vroege versie van zijn tweede programma Het kromme hout der mensheid, waaraan hij het hele jaar zal blijven schrijven en schaven.

In Toomler poneert hij de stelling dat mensen meer bepaald worden door hun gebreken en angsten dan door hun prestaties. Dat verbindt ons. Sterker: „In gedeelde gebrekkigheid ligt onze hoop”. Nadat hij heeft verteld over zijn eigen gebreken probeert Fransen bezoekers over te halen gebreken op te biechten. Tevergeefs. Even later slaat hij terug: „Yolinde, je lijkt sprekend op iemand die ik ken. Al vinden mensen van zichzelf nooit dat ze op iemand anders lijken. Ik weet zeker dat als ik een foto van diegene zou laten zien dat iedereen hier zou zeggen: ‘Dat is sprekend Yolinde.’ Maar dat jij als enige zou zeggen: ‘Ik lijk helemaal niet op die gast’.” Als de zaal lacht, voegt hij haar nog toe: „Ja, had je je maar kwetsbaarder moeten opstellen.”

Aan grappen geen gebrek. Tussendoor stelt hij de drie hoofdpersonages van zijn voorstelling voor: Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, componist Ludwig van Beethoven en keizer Napoleon Bonaparte. Een uitspraak van Kant levert de titel: „Uit het kromme hout der mensheid is nog nooit iets rechts gemaakt”.

Tim Fransen debuteerde twee jaar geleden indrukwekkend met Het failliet van de moderne tijd, filosofisch cabaret waarin Nietzsche en Camus een hoofdrol speelden. Die ambitieuze voorstelling was zowel een misantropische tocht langs ondergangsfilosofen als een hartverwarmend pleidooi tegen de lege, cynische mens. Slotzin van de recensie in deze krant over het wereldbeeld van Fransen: „De mens is misschien imperfect, maar als we arm in arm optrekken, leeft de wereld toch in harmonie.” Dat idee herleeft in zijn tweede voorstelling.

Een fragment uit Het failliet van de moderne tijd van Tim Fransen.

4 juli: terras aan de Nes, Amsterdam.

Tegen de ober zegt Tim Fransen: „Mag ik vragen wat boleet is? En die gorgonzola: is die heel sterk?” Dan bestelt hij de Caesar Salad, waarvan hij de ansjovis zal laten liggen, want hij is vegetariër.

U maakt reizen naar de plekken waar uw hoofdpersonen vandaan komen. Waarom?

„De reizen zijn goed om mijn verbeelding te prikkelen. Ik heb de neiging om me op te sluiten in mijn studeerkamer, boeken te lezen en dan te denken dat ik de wereld ken.

„Ik was een week in Moskou, naar de plek waar Napoleon vocht, en drie dagen in Koningsbergen, waar Kant woonde. In maart was ik een week in Wenen met mijn vader. We hebben de huizen van Beethoven bezocht. Hij is vaak verhuisd, want hij werd doof en ging steeds harder op de piano rammen. Dat werd niet getolereerd door de buren.”

In de try-out vertelt hij te kampen met een lichte stotter sinds een incident in zijn kindertijd op de crèche. Ik vertel hem dat ik bij het schrijven van de recensie van zijn debuut het langst deed over de zin over zijn dictie. Hij citeert hem meteen: „Hij klinkt als iemand die te veel of te weinig logopedie heeft gehad.”

Krijgt u logopedie?

„Af en aan. Nu even niet, maar als ik ga try-outen ga ik wel weer. Het blijft een worsteling.

Mijn stemdocent zegt: ‘Je kan goed praten. Maar er gebeurt met jou van alles psychologisch als je op een podium gaat staan.’ Voor mij is een podium geen natuurlijke plek.”

Dan moet u die beroepskeuzetest nog een keer doen.

Hij lacht. „Ik heb wel de drang om te vertellen. En bezig te zijn met ideeën. Wat voor mij onnatuurlijk aanvoelt, is dat ik de aandacht opeis. Dat moet ik voor mezelf rechtvaardigen. Dat maakt ook dat ik me schaam als er tijdens een voorstelling iets niet goed gaat.”

Maar uw eerste voorstelling is door critici goed ontvangen, het publiek is enthousiast.

„Dat moet ik mezelf voorhouden. Dat ik er mag staan. Dat het de moeite waard is wat ik heb gemaakt. Maar emotioneel kan ik me bezwaard voelen.”

In Toomler was u meer bezig met publieksinteractie. Waarom?

„Dat is een onderdeel van cabaret dat ik wil trainen. De persona in de eerste voorstelling was toch een wat hooghartig mannetje. Nu ik het wil hebben over wat we delen, zal mijn persona ook moeten veranderen, want ik ben ook iemand met gebreken. Ik word een van ons.”

Dat is wel erg ambitieus.

Hij lacht. „Ik hoop dat ik erbij mag. Het lijkt me wel gaaf als het me lukt, om niet alleen maar te zeggen wat we delen, maar het publiek dat ook te laten ervaren.”

Foto’s Andreas Terlaak

Combineert u filosofie weer met piemelgrappen?

„Dat is er toch weer ingeslopen. Cabaretiers doen veel seksgrappen, maar bij mezelf vind ik het wel een leuk contrast, tussen het verhevene en het banale. De penis is toch een dankbare bron van humor.”

Gebeurde er nog iets bijzonders in de eerste helft van dit jaar?

„Mijn relatie liep in april op de klippen, maar ik hou mijn ex liever uit de krant. In mijn vorige voorstelling speelde ik de eenzame jongen. Dat was waar toen ik de tekst schreef, maar ik heb daarna drie jaar een relatie gehad. In de nieuwe show zitten juist een paar grapjes waarin ik een vriendin heb. Het zal wel heel ironisch zijn dat ik die grapjes maak, terwijl ik nu juist single ben.”

Tot slot raad ik hem het boek van NRC-collega Bart Funnekotter aan, De hel van 1812, over de Nederlanders in het leger van Napoleon tijdens de veldtocht naar Rusland. Fransen noteert de titel gretig. „Ga ik zeker lezen.”

2 september: try-out in het Betty Asfalt Complex, Amsterdam

Bij zijn opkomst klinkt hard de Negende van Beethoven. In het afgeladen, snikhete zaaltje vertelt hij in de zomer als „een kluizenaar” te hebben gewerkt. „Ik heb nog nooit met zoveel onbeproefd materiaal op het podium gestaan.” Op het podium staan een luie stoel en een tafeltje met een fles. Fransen: „Mijn regisseur zei: ‘trek een flesje wijn open; als jij je op je gemak voelt, dan voelt het publiek zich op zijn gemak.’ Zelf drink ik geen wijn. Ik lust geen wijn. Ik drink überhaupt niet. Maar hé, als jullie je daardoor op je gemak voelen, dan drinkt deze jongen een portje vanavond.”

Na vijf kwartier vraagt hij hoe lang hij bezig is. Na het antwoord kijkt hij naar zijn stapel papier: „Ik ben op bladzijde 14 van de 30. Laten we een pauze doen.” Na de pauze zwaait hij met de stapel. Olijk: „Ik heb flink zitten krassen.” De zaal lacht. Na ruim een half uur besluit hij de voorstelling.

30 september: mailwisseling

Tim Fransen schrijft: „In Betty Asfalt heb ik twee zeer aangename try-outs gehad. Ik was daar erg blij mee, ik had het gevoel dat ik iets goeds te pakken had. (…) Afgelopen week had ik in Pepijn ook twee try-outs, en die waren enigszins ontnuchterend.”

Het verschil lag, denkt hij, in de verwachtingen van het publiek, dat in het Haagse theater Pepijn rekende op een reguliere cabaretavond. „Daarmee was het ook de eerste echt eerlijke toets. Er werd minder gelachen, de geschiedkundige stukken voelden ineens veel droger en oninteressanter, en zonder het momentum van de lach werd ook pijnlijk duidelijk dat er misschien wel een thema is, maar nog geen spanningsboog, geen duidelijke ontwikkeling die het geheel voortstuwt. (…) Vanuit persoonlijk opzicht is het niet fijn om zo’n klap te incasseren, maar voor het proces is het goed geweest.”

6 oktober: café Wildschut, Amsterdam.

Wat gebeurde er in Pepijn?

„De stemming was: ‘Wordt het nog leuk?’ Dan schiet ik in een kramp. Dan wordt het een vicieuze cirkel, waarin ik niet meer de rust heb om grappen te maken en dan wordt het echt minder leuk. Maar ik ben nu weer optimistisch.”

U schreef: ik ga wandelen op de Veluwe.

„Mijn regisseur Daniël Samkalden heeft een huisje bij Epe. Zijn opa [Ivo Samkalden, RR], die burgemeester van Amsterdam is geweest, heeft dat gekocht. Het is een fijne plek, die ruimte geeft. Daniël stelt me systematisch vragen: ‘Wat is het conflict, waar staan de personages voor?’ Tot dat helder is. Daar kan ik mee bouwen.”

Wat is het centrale probleem?

„Schematisch gezien: dat de Verlichting staat voor een idee dat aan de basis ligt van onze beschaving, namelijk dat mensen gelijkwaardig zijn. Dat Kant de bedenker van dat idee is. Dat Napoleon dat idee verspreidde in zijn jonge jaren, en dat Beethoven de muze van dat idee is. Stap 2 is dat het idee in deze tijd wordt uitgehold. Dat we ons verschansen achter wanen van superioriteit. Zoals nationalisme.

„Stap drie: voor zover gelijkheid het ideaal is, moeten ook mensen als Kant en Beethoven vermenselijkt worden. Stap vier is de persoonlijke laag: hoe ik mijn gebreken verhul. En vijf: slotscène, waarin mijn kwetsbaarheid op het podium samenvalt met hoe we tot universele verbroedering komen.”

Heeft u in de put gezeten?

„Ja. Ik ging slechter slapen en piekeren. Dat is zinloos, maar als het niet loopt, ben ik uit balans.

Wat helpt is mediteren. Voor cerebrale types als ik is dat een manier om de geest te temmen.”

Wat zou het fijn zijn als ik na deze nederlaag tegen iemand aan kon kruipen op de bank. Maar goed, die luxe had Napoleon ook niet

Tim Fransen

Heeft u steun?

„Sinds april ben ik alleen en negen van de tien keer is dat fijn. Maar na het optreden bij Pepijn zag ik op straat een jongen en meisje elkaar begroeten. Hij zei gedag en zij legde alleen maar haar hand in zijn nek. Waarna ze passioneel begonnen te zoenen. Toen dacht ik wel: wat zou het fijn zijn als ik na deze nederlaag tegen iemand aan kon kruipen op de bank. Om getroost te worden. Maar goed, die luxe had Napoleon ook niet.” Hij lacht hartelijk.

U hebt nog vijf volle maanden tot de première.

„Het wordt kort dag: de soundtrack, de animaties, nieuwe versies om te try-outen. Zolang dat niet af is, voel ik onrust. Ik doe mijn best die te beteugelen. Het zijn enorme tijdspannen waarin je zo’n voorstelling maakt. Ik wil mijn geluk al die tijd niet opofferen aan dat ene moment.”

U treedt ook op als mc (presentator) van comedy-avonden. Van uw collega Lebbis hoorde ik dat u dan lekker gemeen bent.

Fransen lacht weer hard. „Dat is wel de verleiding. Mc’en is wel leerzaam voor mij. Ik voel me niet per se komiek. Ik ben gewend grapjes op papier te zetten en dat op een podium te vertellen. Maar ik heb lang het gevoel gehad dat ik door de mand zou vallen als ik het niet van tevoren heb bedacht. Dat het lukt spontaan te zijn, is goed voor mijn zelfvertrouwen.”

29 november: brasserie Amsterdam

Hoe gaat het? Geen last van winterdepressie?

„Nee, ik kikker helemaal op van de winter. Ik heb eerder last van een zomerdepressie. Toevallig zit dat ook in mijn voorstelling. In de zomer komt er een lichtzinnigheid over de mensen die niet strookt met de werkelijkheid van het leven dat één tragische bedoening is. Ik vind het fijn om daarmee in contact te blijven en geen façade op te trekken. Bij de winter past ook gezelligheid. We kunnen elkaar omarmen, rond de hutspot met vegetarische Unox-worst.”

U gaat een mooie tijd tegemoet?

„Ja, ik hoef de hele maand december niet te spelen.”

Wat is dat voor gekkigheid?

„Dat is mijn plan. Om nog één keer afstand te nemen van mijn programma.”

En het helemaal te vergeten?

„Helaas pakt het anders uit, omdat ik aan de bak moet om het te herschrijven.”

Bent u uit de impasse?

„Dat persoonlijke conflict in de voorstelling heeft nog geen vorm gekregen. Ik baal wel, maar mijn regisseur heeft gelijk dat hij daar op aandringt. Ik heb wel aanzetjes, kleine voorbeelden van gebreken, maar niet de drijvende kracht van een probleem dat ik moet overwinnen.”

Dat uw moeder weer van u gaat houden?

Hij lacht. „Dat zou sowieso geweldig zijn. Maar of dat realistisch is?”

Hoe lopen de try-outs?

„In het begin heb ik nu een paar ironische grappen over Thierry Baudet. Na een optreden in Hendrik-Ido-Ambacht stuurde een man me een bericht dat het een moodkiller was, te politiek. Zo’n mail heb ik nog nooit gehad. Ik heb een vijf keer zo lange mail teruggestuurd met uitleg.

In 2012 schreef Tim Fransen een opiniestuk in NRC over ontwikkelingshulp: ‘Ontwikkelingshulp is als het door ons aangereden kind naar het ziekenhuis brengen’

„Het is ook grappig, omdat ik Baudet vooral zie als stripfiguur. Hij is iemand die in de Tweede Kamer loopt te zwaaien met een boek van filosoof Thomas Hobbes waar het lint van de boekenlegger nog precies in het midden zit, oftewel waar het zit als je het net hebt aangeschaft. Ik kan me goed voorstellen dat je rechtse ideeën hebt, maar niet dat je zo’n poseur niet doorziet.”

Neemt de voorstelling u totaal in beslag?

„Ik lees nu Oorlog en Vrede van Tolstoj. Dat boek gaat over de oorlog tussen de Russen en Napoleon. Dan kan ik wel ontspannen, al hoop ik op een associatie, het ontstaan van een grapje. Dat is niet nog niet gebeurd.

„Dat boek van je collega Bart Funnekotter heb ik ook met veel plezier en fascinatie gelezen. Misschien dat één zin eruit in de voorstelling terecht gaat komen.”

Zo gaat dat toch?

„Maar je hoopt op meer. Rendement Tolstoj lezen: nul. Rendement Funnekotter: één zin. Rendement van praten over een bloedlul in de sportschool: vijftien zinnen.”

Wat was 2017 voor jaar?

„Ik beschouw mezelf als een gelukkig man. Alles is nu goed. Al moet ik mezelf daar steeds aan herinneren.” Hij lacht: „Daarom krijg ik maar geen persoonlijk conflict in die voorstelling. Er mag dan ellende genoeg zijn: de wereld en ik ontliepen elkaar in 2017.”

    • Ron Rijghard