Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Worstenbrood

Marcel

Mijn ouders kwamen uit Middelbeers en Oirschot, dorpen in Noord-Brabant. Het was niet dat ze hun afkomst verzwegen nadat het leven ze naar Arnhem had gebracht, maar ze liepen er door schade en schande wijs geworden niet mee te koop. Ze leerden hun accent af en maakten zichzelf en hun kinderen graag wijs dat ze zich omhoog hadden gewerkt, wat ook zo was, want een generatie eerder scharrelden de dieren nog gewoon in en rondom het huis en vonden ze ‘vaste vloerbedekking’ iets ongelooflijks.

Het enige Brabantse wat ze erin hielden was worstenbrood eten op kerstavond, worstenbrood eten op Eerste Kerstdag en worstenbrood eten op Oudejaarsavond.

Een jaarlijks gedoe, want bij de bakkers in Arnhem hadden ze natuurlijk geen worstenbrood.

„Wij doen worst op brood”, had er ooit een tegen mijn moeder gezegd. „Niet erin.”

Nee, voor worstenbrood reed ze in de Mazda op en neer naar de bakker in Oirschot, over de provinciale weg zodat ze Veghel, Sint-Oedenrode en Best ook nog even meepikte.

Het moest onder een vochtige theedoek een kwartier in de oven en gegeten worden met een servetje eromheen. Ik zie ons nog staan op kerstavond, met het hele gezin bij de oven, bijtend in een worstenbroodje en dan pas na een paar happen in staat zijn om ‘gelukkig kerstfeest’ tegen elkaar te zeggen.

Worstenbrood was Brabant, het land dat ze achter zich hadden gelaten, maar waar ze dan met iedere hap intenser naar konden verlangen. Naar De Kempen, stallen vol varkens en houdoe zeggen. Mijn moeder kon zichzelf ontroeren als ze over de kerktoren van Oirschot begon, dat was tenminste een toren.

Zuchtend: „Maar probeer dat hier maar eens uit te leggen.”

Er was een jaar dat ze vergeefs naar Oirschot reed en de bakkerij verliet met een lege tas. Worstenbroodjes op. Gelukkig had haar zus als voorzitter van de Katholieke Vrouwen Organisatie een machtspositie, en een pauselijke onderscheiding bovendien, en die ging vervolgens verhaal halen bij de vrouw van de bakker die ook wel wist dat ze moest leveren omdat ze anders geen leven meer had.

Bij de begrafenis van mijn vader aten we ook worstenbrood.

„Zo”, zei mijn moeder na de laatste hap, „nu is hij echt dood.”

Gisteren belde mijn broer – wij zien en spreken elkaar vrijwel nooit – met de mededeling dat hij in Oirschot worstenbrood voor ons had gekocht. Ik heb een hekel aan Kerstmis, maar toen hij ophing kreeg ik er heel even zin in.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen