Column

Newmans blauwe alles redt zich best

Joyce Roodnat In het Stedelijk Museum Amsterdam werd de eigen collectie plechtig tentoongesteld. Met de nieuwe opstelling is dat afgelopen. Architect Rem Koolhaas vraagt aan Joyce Roodnat of het werkt.

Rem Koolhaas met Jackson Pollocks ‘The Water Bull’ (1946) bij de presentatie van ‘Stedelijk Base’. Foto Erik van Zuylen

De eerbied is eraf. Dat is de kern van Stedelijk Base, de nieuwe opstelling van kunstwerken uit het bezit van het Stedelijk Museum. Die eigen collectie is „beter dan de Tate in Londen”, hoor ik soms en dat maakt me trots. Maar eerlijk is eerlijk, ik holde erdoorheen. Weet ik al, dacht ik dan, en ik ging gauw naar die expositie over Ed van der Elsken. Of Isa Genzken. Of Tinguely, Matisse, Krasinski. Of noem maar op, het ene nog wervelender gepresenteerd dan het andere.

Die eigen werken verbleven tot voor kort in verstilde witte ruimtes die je inwreven hoe geweldig je de kunst van De Kooning, Rothko, Chagall, Appel, Picasso en al die andere grootheden te vinden had. Zelfs het speelse werk van Wim T. Schippers werd er plechtig van. Eerbied schept afstand. Musea zijn ‘saai’, klinkt het nogal eens en niet alleen uit de mond van kinderen en pubers – en daar ga ik dan heftig tegenin. Het oordeel ‘saai’ verbied ik, het is een teken van lui denken. Maar ja, het zou ook wel eens een trap in het kruis van die gewijde sfeer kunnen zijn.

Daar is het nu mee afgelopen. Met Stedelijk Base werd de collectie weg gesnaaid uit het veilige, smaakvolle gebouw en uitgeleverd aan het nieuwbouw-vooronder van het Stedelijk. Daar moet het zich zien te redden in een opengebroken stadslandschap, uitgevogeld door architect Rem Koolhaas. En kijk nou: de collectie ontbloeit. Niet via de kunstgeschiedenis of via van die dwarsverbanden van museummakers die ik pas zie als ze me worden uitgelegd, maar via een praktisch verband.

De leidraad is het jaartal van het kunstwerk – waardoor je het gevoel van een periode erbij krijgt. De sfeer van de Tweede Wereldoorlog omfloerst het schilderij van de Duitse refugié Max Beckmann. Het blauwe alles van Barnett Newmans Cathedra (1951) wordt eens zo uitdagend met die kokette, reuze beroemde designstoeltjes ernaast. In Stedelijk Base is kunst een relevant onderdeel van de werkelijkheid en van de maalstroom van onze gedachten.

Margriet Schavemaker, hoofd collecties van het Stedelijk Museum, neemt me mee naar een litho van Sedje Hémon – inderdaad schitterend en door Schavemaker uit de collectie opgegraven. Veel in depot gehouden werk „van vrouwen en van niet-westerse kunstenaars” zal uitbundig te zien zijn, belooft ze: „Tuurlijk gaan we vaak en veel wisselen. Over een half jaar sowieso alle werken op papier: en dan kom jij 200 nieuwe werken bekijken.”

Daar komt Rem Koolhaas aan. „Werkt het?”, vraagt hij. Ik zag hem zelden met een lach op zijn Nosferatu-gezicht. Maar nu wel: het is gelukt. Klopt, Koolhaas. Het is gelukt.