Column

Bij de non-bankiers ging het feest wél door

Veel van de goedkoopste werknemers voor bedrijven werden de afgelopen vijftien jaar nog goedkoper, terwijl bij verzekeraars en pensioenfondsen de lonen maar bleven stegen.

Twee weken geleden ging het hier over de overmoed die om zich heen pleegt te grijpen bij een lange periode van economische hoogconjunctuur. Vorige week ging het hier juist om stagnerende inkomens, naar aanleiding van het jongste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Daarop kwam een brief van een lezeres, die uit de doeken deed hoe haar loon in de detailhandel al zeer lang niet of nauwelijks meer omhoog ging.

De cijfers geven de briefschrijfster gelijk: ze is, gecorrigeerd voor inflatie, nog even duur (of goedkoop) als in 2001. Een goede manier om dat te meten is de ‘beloning van werknemers per gewerkt uur’, die het Centraal Bureau voor de Statistiek bijhoudt in de zogenoemde arbeidsrekeningen. Dat uurtarief is bruto, inclusief werkgeverslasten, bonussen, gratificaties en wat al. Het geheel moet, om een goed beeld te krijgen, worden gecorrigeerd voor inflatie. Dan kan gerekend worden in ‘euro’s van 2016’.

In de detailhandel kostte een werknemer in 2000 gemiddeld 20,4 euro (van 2016) per uur, in 2001 20,1 euro en in 2016, dus vijftien jaar later, nog steeds 20,4 euro. Men is daar inderdaad niets opgeschoten. Geldt dat ook voor andere bedrijfstakken? Ja, er zijn er zelfs waar de werknemers in de afgelopen vijftien jaar reëel goedkoper werden.

Huishoudelijk werk, en sport en recreatie gingen er zo berekend op achteruit in de afgelopen vijftien jaar. Dat geldt ook voor de horeca, de afvalverwerking, post en koeriers en de visserij, bijvoorbeeld. Een van grootste dalingen vond plaats bij de categorie ‘uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling’. Daar was de beloning van werknemers in 2001 nog 21,3 euro per uur en in 2016 nog maar 19,9 euro.

Het valt op dat veel van deze beroepen, dus ook de detailhandel ‘low entry’ zijn, niet veel vooropleiding vergen, dan wel in de payroll-sector vallen (of beide, trouwens). Dat geeft de machtsverhoudingen in deze jungle van de arbeidsmarkt aardig weer: veel van de goedkoopste werknemers werden nóg goedkoper.

Maar hoe zit het met de duurste werknemers? Die zitten in de aardolie-industrie (Shell bijvoorbeeld) en gingen van 57,2 euro in 2001 naar 64,5 euro in 2016. Nu gaat het hier om een traditioneel goedbeloonde sector. Maar in de elektrotechnische industrie (tegen de 50 euro per uur), gingen de beloningen écht door het plafond. Dat geldt ook voor research. Kennis en talent wordt hier beloond in een veelbelovende markt. Zie chipmachinemaker ASML.

En dan is er nog de na aardolie best betaalde sector: het bankwezen. Daar werden werknemers tussen 2001 en 2016, gecorrigeerd voor inflatie 20 procent duurder. Maar het moet gezegd: sinds 2008 is de beloning per uur juist gedaald, van 60,3 euro naar 57,7 euro (nog steeds in euro’s van 2016).

De belofte van kuisheid na de financiële crisis is hier in ieder geval waargemaakt. Maar waak voor de sector die onder de radar van het publiek wist te blijven: verzekeraars en pensioenfondsen. Daar kostten werknemers in 2001 46,8 euro per uur, in 2008 al 51,3 euro en ze merkten vervolgens helemaal niets van de crisis: in 2016 kostten ze 56,5 euro per uur.

Zo worden bankiers straks nog ingehaald door de verzekeraars en de pensioenfondsen, als op één na duurste bedrijfstak van Nederland. Is dat te rijmen met de steun die ook sommige verzekeraars nodig hadden, en de kortingen op de pensioenuitkeringen die de afgelopen moesten worden doorgevoerd? Terwijl het oog van de burger zich richtte op de bankiers, ging het feest elders in de Nederlandse financiële sector dus gewoon door. Maar het is afwachten of daar, in de huidige hoogconjunctuur, nog een haan naar kraait.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten