Onderwijs

Schoolbesturen: stop met geld oppotten

Onderwijs Basisschoolbesturen potten geld op, schrijven docenten Arjen Boerstra, Jan Hop en Arjan Linthorst. „Vanwege een calvinistische insteek of een gebrek aan financiële deskundigheid begroten ze te voorzichtig.”

"Geld dat op een spaarrekening staat wordt niet gebruikt voor onderwijs." Foto: Kees van de Ven

Het debat over het oppotten van belastinggeld door schoolbesturen uit het primair onderwijs lijkt actueel, toch is het een oude discussie. Het uitgangspunt moet zijn dat ‘wij geen geld onnodig laten oppotten, want dat moet gewoon naar het primair proces’, zei voormalig staatssecretaris Sharon Dijksma al in een Kamerdebat. Vervolgens werd, onder leiding van professor Henk Don, een onderzoek gestart naar het vermogensbeheer van onderwijsinstellingen. Enkele feiten op een rij.

Het afdekken van financiële risico’s is uiteraard nodig en daarom moeten er reserves zijn. Bijvoorbeeld om krimp in leerlingaantallen op te vangen. Maar hoe hoog moeten deze reserves zijn? Ondergrenzen zijn nodig om te voorkomen dat een schoolbestuur de bietenbrug op gaat en bovengrenzen om te voorkomen dat spaarrekeningen onnodig bijgevuld worden. En juist dat spekken van spaarrekeningen is waar het afgelopen tijd om te doen was. Terecht. Geld dat op een spaarrekening staat wordt immers niet gebruikt waar het voor bestemd was: onderwijs.

Scherpe geldgrenzen

De Commissie Don (2009) pleitte daarom voor scherpe geldgrenzen in financieel beleid van onderwijsinstellingen: Rapport van de Commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstellingen. Want zowel de bietenbrug als oppotten is voor de belastingbetaler geen aantrekkelijk perspectief. Twee belangrijke kengetallen om hierin trendmatig te voorzien zijn liquiditeit en solvabiliteit.

Solvabiliteit is een kengetal om na te gaan in hoeverre een organisatie op de lange termijn aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen; liquiditeit slaat op de korte termijn. Voor solvabiliteit adviseerde de Commissie Don als ondergrens 0,20 en geen bovengrens; voor liquiditeit werd een ondergrens van 0,5 geadviseerd en een bovengrens van 1,5. De Onderwijsinspectie hanteert andere waarden voor het primair onderwijs en dan vooral voor liquiditeit (De Financiële Staat van het Onderwijs 2016). Als ondergrens wordt 0,75 gebruikt en van een bovengrens wordt geen melding gemaakt. Voor solvabiliteit hanteert de Onderwijsinspectie 0,3 als ondergrens (dit met inbegrip van zogeheten voorzieningen).

Gebrek aan deskundigheid

Qua liquiditeit en solvabiliteit zitten schoolbesturen al jarenlang boven de aanbevelingen van de Commissie Don en boven de huidige signaleringswaarden van de Onderwijsinspectie. De Onderwijsinspectie stelt dan ook:

„De po-besturen voorspellen dat de komende jaren het vermogen om zowel de langlopende als de kortlopende schulden terug te betalen, nog beter wordt. Het geheel van middelen waarmee direct aan kortlopende betalingsverplichtingen kan worden voldaan, is sinds het begin van het getoonde tijdvak sterk toegenomen; de indicator liquiditeit is gestegen met 29,2 procent. Dit is vooral toe te schrijven aan het oplopen van de omvang van de liquide middelen. In deze periode gaat het om een stijging van bijna 47 procent (zo’n 864 miljoen euro).”

Conclusie: er zijn schoolbesturen die, al dan niet vanwege gebrek aan financiële deskundigheid of een zuinige calvinistische insteek, structureel te voorzichtig begroten en dus oppotten. Op deze manier kan het gebeuren dat de werkdruk te hoog is en de aanschaf van schriften, pennen en methodes wordt geweigerd omdat er zogenaamd “geen geld is”. Dit gaat ten koste van leerlingen, docenten en de belastingbetaler, die er ook bij inschiet. Dus is het hoogtijd om een reële bovengrens vast te stellen voor liquiditeit en solvabiliteit. Welk Kamerlid pakt deze handschoen op?

Arjen Boerstra (docent Frans), Jan Hop (docent scheikunde) en Arjan Linthorst (docent scheikunde)