Recensie

Lotte de Beers debuut in München grijpt je bij de strot

Opera Met haar debuut bij de Bayerische Staatsoper dringt de Nederlandse regisseur Lotte de Beer (36) door tot de wereldtop van de opera. ‘Il Trittico’ is in vele opzichten een topattractie.

Foto Wilfried Hösl

Een zeldzaam succes was het zondag: het debuut van operaregisseur Lotte de Beer (36) met Puccini’s Il Trittico bij de Bayerische Staatsoper, een van de belangrijkste huizen van Duitsland. De Beer is de eerste Nederlandse operaregisseur die daarmee echt is doorgebroken naar de wereldtop van de opera: de Metropolitan Opera in New York boekte haar al voor 2023.

Niet alleen carrièretechnisch, ook muzikaal is dit debuut een gouden kans. De Staatsoper wordt immers geleid door een van de allerbeste dirigenten ter wereld: Kirill Petrenko (45), een ingetogen klankmagiër voor wie alleen de muziek telt. Musici en zangers werken zeer graag met hem; om zijn hyperperfectionisme, maar ook om de vrijheid die hij gunt als het doek na veel repetities dan eenmaal opgaat. Veelzeggend: de Berliner Philharmoniker koos Petrenko al na drie keer samenwerken als nieuwe chef-dirigent, vanaf 2019.

Petrenko leidde nooit eerder een uitvoering van Il Trittico, maar je wist direct: beter dan dit ga ik het nooit meer horen. Het orkest van de Staatsoper speelt zinderend, het met veel hout gebouwde Nationaltheater klinkt als fluweel en Petrenko excelleert in (dienstbare) uitersten, maar laat pathetiek links liggen. Hij ademt mee met de zangers, dempt af waar wenselijk en laat het orkest met ongehoorde flexibiliteit aan nuances in snelheid en dynamiek meebewegen met het drama. Sterker: door stemmen uit te lichten op betekenisvolle momenten, wijst Petrenko muzikaal soms vooruit naar ontwikkelingen die theatraal nog komen. Wat een revelatie.

Grote stemmen

Foto Wilfried Hösl

In Beieren is Puccini geen dagelijkse kost. Zeker niet operadrieluik Il Trittico met zijn bonte parade aan verhaallijnen en hoofdrollen. Maar de Bayerische Staatsoper is rijk, en kan zich (ook veel) grote stemmen veroorloven. Eva-Maria Westbroek bijvoorbeeld, die bloeit in deze grote zaal en van de overspelige Giorgetta iemand maakt met wie je van harte meeleeft – al overtreffen het vocale reliëf en de charme van Wolfgang Koch als haar echtgenoot dat van tenor Yonghoon Lee als haar minnaar. Nog onvergetelijker is de Albanese sopraan Ermonela Jaho, heerlijk getypecast als Suor Angelica in wier stem en présence aardse en hemelse tonen elkaar alleen maar versterken.

Voor Lotte de Beer is de brede opzet van Il Trittico – mét al die plotten en zangers – het uitdagende en tegelijkertijd geweldige van dit Münchense avontuur. Op één avond kan ze zich drievoudig presenteren; in grauw sociodrama (deel 1, ‘Il Tabarro’), een religieuze vrouwentragedie (deel 2, ‘Suor Angelica’) en een komedie (deel 3, ‘Gianni Schicchi’). Om vervolgens te tonen hoe je eenheid schept in die tussen schater en snik uitwaaierende vertellingen.

Het decor van Bernhard Hammer – een claustrofobische koker die afwisselend als scheepswerf, kloosterommegang en familiekamer dienstdoet – roteert als een Rad van Fortuin aan het einde van elke operaatje, en vormt zo de logische sluis naar de volgende episode. Theatraal is ‘Gianni Schicchi’ daarin de zwakste schakel; de productie die vorige maand te zien was bij De Nationale Opera was eigenzinniger, en scherper op de muziek afgestemd. Hier speelt Schicchi in de originele setting: het Florence van de dertiende eeuw. De ‘sterfkamer’ wordt gedomineerd door het hemelbed waarin de bedrieger Gianni Schicchi een hebzuchtige familie te slim af is, en er zelf met de erfenis vandoor gaat.

Foto Wilfried Hösl
Foto Wilfried Hösl

Collectief geharrewar

Lotte de Beer laat zich als regisseur graag inspireren door de zangers, wat wisselend uitpakt. De vaart van het verhaal moet komen uit het collectieve geharrewar, dat soms blijft steken in voorspelbare Jan Steen-tableautjes. Maar maakt dat dit uurtje muzikale klucht minder genotvol? Onmogelijk in een voorstelling met in het middelpunt de Italiaanse basso buffo Ambrogio Maestri (als Schicchi), die al een schater uit je tenen kan toveren door één pink te bewegen.

‘Il tabarro’ en ‘Suor Angelica’ stellen andere eisen. Beide zijn als novelles: een detail dat onbetekenend lijkt, blijkt van sleutelbelang. Knap hoe De Beer die verteltechniek adopteert in beelden. ‘Il tabarro’ ontleent zijn naam aan de mantel waarin ooit twee echtelieden elkaar en hun liefdesbaby warm hielden. Nu het kindje dood is, zoekt de vrouw troost bij een ander, die door de jaloerse echtgenoot wordt vermoord en onder dezelfde mantel verborgen. Haar motief? Rouw, pijn en eenzaamheid door beide – en dat snap je ook, doordat het kinderkistje aan het begin van de opera in rouwstoet wordt weggedragen.

‘Suor Angelica’ draait om een ongehuwde moeder in een klooster, die – als blijkt dat het haar afgenomen zoontje inmiddels dood is – een gifdrankje brouwt en ondanks haar zondige dood in de hemel een warm welkom vindt bij zoon en Maria. Het is een ingewikkeld operaatje; muzikaal de meest intense van de drie en aangrijpend in het getoonde menselijke leed, maar voor niet-religieuzen ook zware kost door wat op die ellende het antwoord blijkt: de goddelijke genade.

En toch weet De Beer je ook dan bij de strot te grijpen. Er verschijnt een groot, fel kruis, met het wederopgestanden zoontje in het middelpunt. Een sterk beeld: enerzijds net zulke relikitsch als het libretto, anderzijds een authentiek, treffend symbool voor de religieuze extase van Angelica.

Een succès fou was het. En voor Lotte de Beer ongetwijfeld het begin van een nieuwe fase.