Column

Paradox: integratietaal wordt zelf een obstakel

Ergens in de loop van de jaren tachtig besloten we dat de ‘gastarbeiders’ die we twintig jaar eerder naar ons land hadden gehaald vermoedelijk toch echt niet gingen vertrekken. Er bestond dus geen noodzaak meer ze te vragen hun eigen identiteit te behouden bij inpassing in onze samenleving. Sindsdien vormt integratie van nieuwkomers een nationale obsessie. Aanvankelijk lag de nadruk daarbij vooral op de rol van overheden bij het bevorderen van integratie, later kwam de druk steeds meer bij de nieuwkomers zelf te liggen.

Om de voortgang van integratie te kunnen meten, was het uiteraard nodig om te zien wat de resultaten van geleverde inspanningen waren. Na verloop van tijd werd het daarbij ook logisch opeenvolgende ‘geboortecohorten’ te vergelijken. Zo kon men immers bestuderen of behalve de nieuwkomers zelf wellicht ook hun kinderen nog met achterstanden te maken hadden bij het inpassen in onze samenleving. Naast ‘eerste generatie’ onderscheidt men daarom tegenwoordig ook ‘tweede generatie’ en zelfs ‘derde generatie’ nieuwkomers.

Nu is het meten van vooruitgang binnen en tussen generaties zonder meer nuttig. De op die basis verzamelde gegevens zijn ook gewoon hoopgevend. Ze laten zien dat daadwerkelijk is uitgekomen wat we wilden: de oorspronkelijke generatie past zich langzaam maar zeker aan en elke nieuwe generatie is verder geïntegreerd dan de vorige.

Het probleem is alleen dat het gebruik van de termen ‘tweede generatie’ en ‘derde generatie’ zelf een serieus obstakel lijkt te zijn geworden in het integratieproces. We omschrijven hier geboren en getogen medelanders zonder nadenken als ‘Marokkaans’ of ‘Turks’, ‘Surinaams’ of ‘Antilliaans’, ze daarmee een permanente status van buitenstaander bezorgend – hooguit half Nederlands.

Hoe meer we zo ons best doen om het integratiestreven serieus uit te werken, des te kleiner de kans dat we nieuwkomers ooit als volwaardige Nederlanders gaan beschouwen. Deze paradox van het integratiebeleid leidt tot een buitengewoon ongewenste situatie. Recent SCP-onderzoek liet zien dat nieuwe Nederlanders, vooral die van niet-westerse komaf, de afgelopen jaren nadrukkelijk minder positief zijn geworden over het leven in ons land. In plaats van meer voelen ze zich hier steeds minder thuis.

Daarbij geholpen door extreem-rechtse politici die geen mogelijkheid onbenut laten om nieuwkomers in te wrijven dat geen enkele integratieinspanning ‘ze’ ooit tot ‘we’ kan maken – ongeacht het aantal generaties dat men hier al leeft.

Statistisch onderscheid maken tussen opeenvolgende generaties blijft nuttig om de mate van succes van integratiebeleid te kunnen meten. Maar om de genoemde problemen aan te pakken, zouden we ook een ander politiek taalgebruik moeten overwegen. Wie hier komt wonen en aangeeft erbij te willen horen, zou gewoon ‘Nederlander’ moeten worden genoemd. Wellicht zou het begrip ‘eerste generatie Nederlander’ uitkomst kunnen bieden. Het is afkomstig uit de Amerikaanse praktijk, waar het voor het eerst opdook in de late negentiende eeuw. Niet toevallig was dit de periode waarin de Verenigde Staten definitief een immigratiesamenleving werden en dus behoefte hadden aan nieuwe begrippen om de nieuwkomers een passende status te geven.

Willen we werkelijk dat integratie slaagt? Dan zullen we dat ook in ons taalgebruik tot uitdrukking moeten brengen, met begrippen die het integratiestreven van de nieuwkomer nadrukkelijk belonen. En daarmee erkennen dat het Nederland van vandaag toebehoort aan de levenden – de nieuwe Nederlanders evenzeer als de oude.

Joshua Livestro is hoofdredacteur van opiniesite Jalta.nl.