Ollongren wil meer samenwerken tegen nepnieuws

Desinformatie

In de strijd tegen nepnieuws zoals uit Rusland vertrouwt minister Kajsa Ollongren op techbedrijven. Maar ze legt hun voorlopig nog niets op.

Minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (D66) tijdens het Vragenuurtje in de Tweede Kamer.

Om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan, wil de Nederlandse overheid meer informatie gaan uitwisselen met Facebook, Twitter, Google en Microsoft. Dat schreef minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) deze maandag aan de Tweede Kamer.

Begin deze maand besprak Ollongren met deze Amerikaanse techbedrijven hoe „verspreiding van desinformatie” kan worden tegengegaan. De minister kreeg geen toezeggingen van de bedrijven om inzicht te geven in de werking van de algoritmes waarmee zij informatie afstemmen op gebruikers. Ook zijn er geen afspraken gemaakt over inzicht in de herkomst van politieke advertenties.

Wel gaat Ollongren met Facebook, Twitter, Google en Microsoft praten hoe deze bedrijven en de Nederlandse overheid „elkaar verder kunnen versterken”. Dat is volgens haar speciaal van belang rond de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart.

Al enige tijd waarschuwt Ollongren dat buitenlandse staten kunnen proberen invloed uit te oefenen op de lokale verkiezingen en het gelijktijdige referendum over de inlichtingenwet. Ze verwijst met name naar Rusland, dat onder meer bij de presidentsverkiezingen in Amerika en bij het Brexit-referendum in het Verenigd Koninkrijk invloed probeerde uit te oefenen.

Bij de Nederlandse verkiezingen, kondigt Ollongren aan, worden ook dit jaar geen ‘digitale gegevensdragers’ zoals usb-sticks gebruikt om de uitslag vast te stellen. Alles geschiedt via papieren documenten, „om discussies over de betrouwbaarheid van de gegevens te voorkomen”.

Volgens minister Ollongren staat Nederland „in het vizier van de Russen”. De Kamer vindt haar vingerwijzing te vaag.

Meer uitwisseling met techbedrijven maakt deel uit van een bredere strategie van het kabinet om nepnieuws tegen te gaan. Drie oplossingen en een idee om verder te gaan.

1. Waarschuwen, waarschuwen, waarschuwen

Ollongren wil het bewustzijn over het gevaar van nepnieuws en Russische beïnvloeding vergroten, onder meer door er zelf regelmatig over te praten. Eerder kreeg zij uit de Tweede Kamer de kritiek dat zij te weinig met concrete voorbeelden kwam. Met nieuwe voorbeelden komt ze in de brief van maandag niet. Wel met nieuwe plannen voor meer waarschuwingen. Zo komen er cursussen voor bestuurders in het kader van een ‘Netwerk Weerbaar Bestuur’.

2. Zelf tegengas geven, liefst in Europees verband

In Straatsburg sprak Ollongren vorige week onder anderen met vicevoorzitter van de Europese Commissie Frans Timmermans over een Europabrede strategie tegen nepnieuws die dit voorjaar moet worden gepresenteerd. Het kabinet wil onder meer dat de East StratCom Taksforce wordt versterkt, een EU-instelling die zich richt op het weerleggen van nepnieuws dat door pro-Kremlin-media wordt verspreid. Er is al een Europese anti-Kremlinwebsite, euvsdisinfo.eu, maar die kan beter, volgens Ollongren, dat wil zeggen: hij moet versterkt worden (meer geld).

3. Meer samenwerking tussen instellingen en techbedrijven

Nepnieuws wordt vooral verspreid via social media als Facebook en Twitter en zoekmachines als Google. Minister Ollongren is enthousiast over Facebook dat sinds maart samenwerkt met de Universiteit Leiden en nieuwssite Nu.nl. Wetenschappers en redacteuren kunnen berichten checken die gebruikers van Facebook als nepnieuws aanmerken. Als ze dan onwaar blijken, verspreidt Facebook ze minder en met een waarschuwing.

4. Ideetje: maak een online waakhond of toezichthouder

Er zijn ook initiatieven tegen nepnieuws waar Ollongren nog niet in meegaat. Zo lanceerden CDA en haar eigen partij D66 vorige maand een plan voor een register waarin staat wie voor welke politieke advertenties betaalt. Dat is er nog niet.

Het Centraal Planbureau opperde vrijdag in een beleidsnotitie social media te verplichten openheid te geven over de algoritmes die berichten rangschikken. En om platforms te verplichten racistische berichten te markeren of te filteren – volgens precies voorschrift van de overheid. Het CPB opperde bovendien een vergunningenstelsel waarbij een toezichthouder, bijvoorbeeld de Autoriteit Consument en Markt, digitale platforms aan afspraken met overheden kan houden. Als zij die schenden, kan zo’n toezichthouder of online waakhond boetes opleggen. „Je kan de parallel trekken met het toezicht in de financiële sector op banken”, zegt CPB-onderzoeker Bas Straathof.