Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Man op zolder

Marcel

De vijf beste vriendinnen van de vriendin kwamen op bezoek, ze kennen elkaar al vanaf de lagere school. Ik mocht wel mee eten maar moest daarna verdwijnen, dat deden de andere partners ook altijd. „Naar zolder bijvoorbeeld.”

Dat was dan een voordeel van een groot huis, dat ik de straat niet op hoefde om te verdwijnen.

Ze kwamen één voor één binnen, bekeken alle kamers en de kinderen en complimenteerden mij dat ik niet meer rookte. Ik complimenteerde terug.

‘Mooie jas’, ‘Wat zie je er goed uit’, dat soort opmerkingen.

We kregen een bruine vaas, waarvoor ik – vond ze achteraf – best wat hartelijker had mogen bedanken.

Ik zat in de verzorgende rol. Wijn inschenken, jassen ophangen, kinderen naar bed brengen en een beetje meedoen met de gesprekjes. De vriendin begon weer over de oranje lampen boven de eettafel die zo goed bij het behang kleurde, ik dacht een leuke inbreng te hebben door te zeggen dat ik de woonkamer had geschilderd. De vriendin: „Is niet zo.”

Eentje had in Mongolië in een joert geslapen, een ander was invalchef bij een tijdschrift en er was er ook één net getrouwd, wat ik nog wel wist want ik was ook op dat huwelijk. Het was op een landgoed en ik was een uur kwijt omdat ik bij een benzinestation sigaretten was gaan kopen.

Na het eten was het tijd om zo nonchalant mogelijk te verdwijnen, maar dat mislukte want ze keken allemaal naar me. Ik zei: „Ik moet naar zolder.”

Dat breng ik een volgende keer anders, meer terloops, meer alsof ik dat zelf een goed idee vind.

Op zolder deed het internet het niet en was geen verwarming, maar wel een straalkacheltje. Omdat ik een ruime fantasie heb, kwam ik de tijd wel door.

Eerst deed ik alsof het oorlog was en ik er ondergedoken zat en daarna was ik mijn vader, die na zijn pensionering eigenlijk altijd op zijn werkkamer zat terwijl mijn moeder beneden bezig was met het verplaatsen van dingen, het maken van stapels en het zetten van thee. Af en toe ging ze onderaan de trap staan om te roepen wat of ze had gedaan.

„Ik heb thee gezet!”

Hij reageerde daar verder niet op.

Toen ik naar de wc ging, hoorde ik dat de stemming was gestegen, ze voelden zich duidelijk vrijer. Tegen middernacht, ik dacht dat ze al weg waren, trof ik ze met hun jassen aan in een kring. Zo ging dat altijd bij het weggaan, ineens hadden ze nog heel veel te vertellen. Eentje vroeg of ik me had vermaakt op zolder. „Ja”, zei ik, „ik denk dat ik er ga wonen.”

Het was niet eens een grapje, maar toen ze weg waren, werd me wel gevraagd om voortaan wat minder nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen