Column

Doodsangst bij Ajax

Menig Ajax-supporter zal gistermiddag een hartverlamming nabij zijn geweest. Er waren twee cruciale momenten waarop Ajax in de uitwedstrijd tegen AZ punten had kunnen verspelen, waarmee het landskampioenschap van PSV dichter bij zou zijn gekomen.

Eerst moest Lasse Schöne uit een strafschop het winnende doelpunt scoren. Het was voor Ajax de tot dusver belangrijkste strafschop van het seizoen. Wie had het Schöne kunnen verwijten als hij onder de druk was bezweken? Maar Schöne was weer eens op z’n koelbloedigst – en scoorde vlekkeloos. In de laatste vijf minuten, toen Ajax een 2-1 voorsprong verdedigde, kreeg Fred Friday voor AZ een kans op de gelijkmaker die zijn invalide, aan glaucoom lijdende Nigeriaanse grootmoeder nog zou hebben benut. Friday miste op geniale wijze.

Zo overleefde Ajax in Alkmaar.

Maar van een Amsterdams beleg van Alkmaar was geen sprake. AZ heeft een goede, moedige ploeg die de aanval durfde zoeken, veel kansen kreeg en een gelijkspel dan ook verdiend had. „Ajax hield controle over de wedstrijd”, zei Fox-analist Kenneth Perez na afloop. Hij moet naar een andere wedstrijd hebben gekeken. Ik zag een Ajax dat de wedstrijd vooral kon winnen dankzij een ‘versierde’ strafschop.

Er is met Ajax de laatste jaren iets eigenaardigs aan de hand. Ajax heeft de beste jonge Nederlandse spelers : Ziyech, De Ligt, Van de Beek, Frenkie de Jong, misschien ook Kluivert. Maar in verdedigend opzicht blijft Ajax kwetsbaar, al is de schade in de zwakke eredivisie nog beperkt. De vaste backs (Veltman, Sinkgraven) zijn al matig, hun vervangers (de beklagenswaardige Zeefuik en Dijks) veroorzaken in het Ajax-kamp ronduit doodsangst.

Hoe is het mogelijk dat een ooit zo succesvolle club als Ajax niet in staat is een goede verdediging bij elkaar te kopen? Aan geld geen gebrek, aan voetbalkennis (Van der Sar, Overmars, Bergkamp) evenmin.

Ik had gehoopt een antwoord te vinden in Deal, de nieuwste voetbalbestseller van Michel van Egmond. Die belooft ons volgens de achterflap „een blik achter de schermen van het (inter)nationale topvoetbal” door middel van een portret van voetbalagent Rob Jansen. Het is een aardig boek, vlot geschreven en met de nodige humor, maar ik geloof niet dat Jansen als prominente voetbalmakelaar hier het achterste van zijn tong laat zien. Daarvoor is zijn belang om te zwijgen over de achtergronden van specifieke deals te groot.

Het topvoetbal omschrijft Jansen „als een jungle met de bijpassende roofdiermentaliteit. Iedereen probeert te overleven ten koste van de ander.” Er lopen ook steeds grotere criminelen in die jungle rond, constateert hij. Rugnummers graag, roep ik als lezer. Maar dan geeft Jansen amper thuis. Veel leuke anekdotes, geen spijkerharde onthullingen. Alleen enkele afrekeningen met wél bij naam genoemde concurrenten. De enige zuivere ziel in de (onder)wereld van het topvoetbal blijkt Rob Jansen te heten.

Jansen benadrukt in het boek dat hij „de zaakwaarnemer is van de complete Ajax-top”. Komen we daarom zo weinig van hem te weten over het soms zo zwakke aankoopbeleid van die club? Ik zou zo graag van Jansen hebben gehoord waarom het Ajax de laatste jaren zo veel moeite kost om kampioen van Nederland te worden.