Foto Lars van den Brink

‘De efficiëntie ligt ’s nachts toch iets lager’

Nachtwerkers Wie werken er ‘s nachts? Fotograaf Lars van den Brink portretteerde de afgelopen maanden voor NRC Weekend negen mensen die ’s nachts werken. „In de nacht word ik niet gestoord door telefoontjes.”

Deel 1: ‘Soms lig je half zes ’s ochtends in je bed’

Foto Lars van den Brink

De nacht, daar had hij eigenlijk niet zoveel mee. Maar Paul van Hees (37) wilde „een stukje ondernemen”. Aangezien hij overdag al een fulltime baan heeft als verkoper van bestelauto’s, viel zijn oog op „die nutteloze uren”. Samen met zijn broer Bas (41) – overdag planner bij een transportbedrijf – runt hij Bierkoerier Bob.

Vijf shifts per week draaien ze, vanuit Volendam. De ene week pakt de ene broer er drie en de andere twee. En andersom. Op woensdag, donderdag en zondag van acht uur ’s avonds tot middernacht. Op vrijdag en zaterdag tot vijf uur ’s ochtends. Paul: „Soms belt een klant om vijf voor vijf. Dan lig je half zes in je bed.”

Eenvoud is hun kracht. Twee merken bier, vijf soorten wijn, zeven opties fris en sap. Naturel chips. Paprika chips. O ja, en sigaretten. Marlboro. „Als je afstapt van de kern verlies je kwaliteit,” zegt Paul. „We hebben wel eens een warme hap geprobeerd. Geen doen. Moet de hele nacht iemand achter de frituur staan.”

Praatjes met klanten, dat vindt hij het leukst. Soms staan ze al op straat als hij aankomt met zijn koelbusje. „Altijd blij, want je brengt iets waar ze zin in hebben.”

Slapen, dat doet Paul tussen de bestellingen door. Op de bank. Tot de telefoon weer gaat. „Als ik in bed kruip moet ik iedere keer mijn broek uit en weer aan.”

Deel 2: ‘Wij vliegen een stukje ziekenhuis naar een noodgeval’

Foto Lars van den Brink

Twintig seconden. Zo lang kost het verpleegkundige Hendrik de Vries (40) om, opgeschrikt door zijn pieper, zijn bed uit te springen, zijn schoenen dicht te ritsen – veters zijn te langzaam – en zich te melden bij het verzamelpunt voor de crew van de traumahelikopter. Binnen enkele minuten stijgen ze op.

Tijdens de vlucht fungeert De Vries als co-piloot. Navigeren, het weer monitoren, de landingsplaats checken. Daarna wisselt hij van rol en assisteert hij de dokter met de patiënt. Reanimeren, bloed toedienen, een adembuis inbrengen. „Wij vliegen een stukje ziekenhuis naar een noodgeval.”

De nachtdienst duurt van half zeven ’s avonds tot kwart over zeven ’s ochtends. De Vries: „Het liefst ben ik de hele nacht in touw. Dat vind ik minder pittig dan tussendoor telkens drie kwartier slapen.”

De ene helft van zijn tijd is hij ambulanceverpleegkundige, de andere helft is hij lid van dit Mobiel Medisch Team.

Een „prachtvak”, vindt hij. De Vries houdt van overzicht houden, overleggen met de arts, de politie, de brandweer. En natuurlijk ook van het zorgen voor patiënten. „Je bent samen met een goed geolied team bezig mensenlevens te redden.”

Vliegen blijft „een feestje”. Hoe vaak hij het ook doet. „De nacht is extra spannend. Het navigeren is dan complexer.”

Deel 3: ‘De efficiëntie ligt ’s nachts toch iets lager’

Foto Lars van den Brink

Het verschil tussen dag en nacht, daar doen ze niet aan bij Orange Blue Terminals (OBT) in de Groningse Eemshaven. De kosten van zeeschepen zijn zo hoog dat er boetes op staan als een schip moet wachten om te laden of lossen. „Daarom rouleren onze ploegen 24 uur per dag”, vertelt mede-directeur Marten Hamstra (43).

De mens is niet gemaakt om ’s nachts te leven, dat merkt Hamstra wel. „De efficiëntie ligt toch iets lager. Een uitdaging, want ons werk steekt nauw.” OBT helpt bedrijven die projecten op zee bouwen, zoals een windmolenpark, bij het verzamelen en opslaan van de onderdelen. Ook monteren ze die vaak tot een geheel.

De ploegen werken zowel met gigantisch grote, zware onderdelen als met kleine, kwetsbare. Hamstra: „Veel mensen realiseren het zich niet, maar een windmolen zit vol IT. Sensoren die bijvoorbeeld registreren hoe snel de wieken draaien.”

Als mede-directeur controleert hij of alle procedures bij OBT goed worden opgevolgd. Dat kan ook ’s avonds of ’s nachts zijn. „Zeker als we een nieuwe handeling uitvoeren, wil ik met het contract in de hand kijken of alles goed verloopt.”

Nachtwerk verstoort zijn ritme. „Ik ben een slechte slaper. Voordeel is wel dat ik ‘s nachts niet snel word gestoord door mensen of telefoontjes. Lekker rustig.”

Deel 4: ‘Hoog in de lucht kan ik heerlijk slapen’

Foto Bram Budel

Of ze nu om twee uur ’s nachts opstaat of om tien uur ’s ochtends, dat maakt Babs Hirdes (28) niet uit. Ze gaat altijd met plezier naar haar werk. „Als klein meisje wilde ik al stewardess worden. De passagiers van dienst zijn, daar houd ik van.”

De dienst voor een internationale vlucht duurt al snel twaalf uren. Ze vliegt vaak naar het Caraïbisch gebied. De vlucht terug gaat altijd door de nacht. Hirdes: „Dan is het fijn om tussendoor even twee uurtjes te rusten. Afhankelijk van de drukte wisselen we af wie mag.”

In de Dreamliner (Boeing 787) heeft het personeel de luxe van een slaapcabine. Bedje opmaken, muziekje aan en Hirdes is weg. „Het lukt niet iedereen, maar ik kan heerlijk slapen aan boord. De deining van het toestel, het geruis van de motoren.”

Na zes jaar bij TUI fly heeft ze geen enkel dag-nachtritme meer. Slapen doet ze wanneer ze kan en wanneer haar lichaam het aangeeft. Voor een vlucht vanaf Curaçao pakt ze dan bijvoorbeeld nog anderhalf uur in haar hotel. Dat is één volledige slaapcyclus. Stewardessen zijn slaapexperts.

„Chagrijnig tegen de passagiers ben ik nooit”, zegt Hirdes. „Ik let erop dat ik genoeg energie houd.” Dat kan betekenen dat ze thuis na het avondeten meteen gaat slapen. „Mijn vriend heeft begrip voor mijn werk, maar soms leef je wel langs elkaar.”

Deel 5: ‘Ik ken het podium van alle kanten’

Foto Lars van den Brink

Dit is zijn natuurlijke habitat. Het labyrint van gangen achter het podium, de kleedkamers voor de artiesten, de oude banken waar het personeel even pauze pakt. Sin Banovic (50) werkt afwisselend als podiummanager en -assistent in De Melkweg en tourt als drummer met meerdere bands. „Muziek is wat ik adem.”

Concerten zijn ’s avonds - logisch dat het vaak laat wordt. „Ik ben een nachtdier,” zegt Banovic. „Als ik op een feestje ben met mensen die overdag werken merk ik dat zij rond twaalf uur inzakken. Terwijl ik dan net enthousiast een discussie begin en een nieuw plaatje opzet.”

Op de avonden dat Banovic staat ingeroosterd als stage manager overlegt hij met de manager van de band over hun wensen. Geluid, licht, eten, et cetera. „Sommige bands zijn veeleisend, dat kan heftig zijn,” zegt hij. „Ik moet me flexibel opstellen en tegelijkertijd mijn crew beschermen. Dat vergt diplomatie.”

Als freelancer kan hij zijn werk om zijn leven als muzikant heen plannen. Want drummen gaat voor. Gisteren was hij naar Brussel om nummers op te nemen met Fischer-Z, de bekende Britse new wave band van weleer. „Ik ken het podium van alle kanten. Ervoor, als bezoeker. Erop, als drummer. En erachter bij de Melkweg. Het is gaaf om het hele plaatje te kennen.”

Deel 6: ‘De fabriek ligt nooit stil, dat kost te veel geld’

Foto Lars van den Brink

Een keuken vol kokende pannen. Zo omschrijft Stefan van der Heide (25) zijn deel van de fabriek van Tata Steel in IJmuiden. Als procesoperator voegt hij de juiste ingrediënten toe aan het gesmolten staal, om een specifieke kwaliteit te creëren. Een schepje mangaan, een scheutje chroom. „De ene klant maakt er een auto van, de ander een koelkast. Dat vraagt om verschillende soorten staal.”

De ploegen van de panbehandelingsinstallatie, zoals zijn sectie officieel heet, wisselen elkaar af in een cyclus van tien dagen. Twee ochtenden (6 uur ’s morgens tot 2 uur ’s middags), twee middagen (2 uur ’s middags tot 10 uur ’s avonds), één dag vrij, twee nachten (10 uur ’s avonds tot 6 uur ’s ochtends) en dan drie dagen vrij. 365 dagen per jaar. Van der Heide: „De fabriek ligt nooit stil. Het kost te veel geld om het productieproces af te koelen en weer op te warmen.”

Toen hij op zijn 17e begon mocht hij nog geen nachtdiensten draaien. Die kwamen er op zijn 18e bij. „Dat was wennen”, zegt Van der Heide. „De truc is om na een nachtdienst niet te lang te slapen. Tot een uur of half een ’s middags, zodat ik ’s avonds moe ben om het ‘gewone’ ritme op te pakken.”

Onder zijn vrienden is het doodnormaal om eerder weg te moeten van een feestje, om te gaan werken. „In deze buurt kent iedereen wel iemand van Tata Steel.”

Deel 7: ‘Ik geniet van de rust van de lege zalen’

Foto Lars van den Brink

De brug van Langlois, Het Gele Huis, Zonnebloemen. Hans-Martijn Groeneveld-Nijsen (32) en de vier andere art handlers van het Van Gogh Museum in Amsterdam stoffen alle meesterwerken wekelijks af. „We zijn een drukbezocht museum. En mensen brengen huidschilfers mee.”

Veel van zijn uren zitten in het wisselen van de werken. Groeneveld-Nijsen: „Tekeningen gaan bijvoorbeeld naar maximaal drie maanden weer een tijd in het depot. Anders vergeelt het papier of vervaagt de inkt. Zo verleng je de levensduur.”

Januari is een drukke maand. Veel musea veranderen hun tentoonstellingen en ruilen objecten uit. Groeneveld-Nijsen en zijn collega’s begeleiden de kostbare Van Goghs. Soms ook internationaal. „Zo’n reisje naar New York of Tokio is leuk, maar ook zenuwslopend. Je moet constant de belangen van het kunstwerk behartigen.”

Al dat stoffen, poetsen en wisselen gebeurt ’s avonds, ’s nachts en ’s ochtends vroeg. Overdag zijn er bezoekers, 365 dagen per jaar. Groeneveld-Nijsen: „Ik heb geen vast ritme. Dat is weleens zwaar.”

Maar hij geniet enorm van de „rust en sereniteit” van de lege zalen. „Een tijdje geleden kregen we de schilderijen binnen van Zeng Fanzhi, een Chinese kunstenaar die zich laat inspireren door Van Gogh. Voor mij voelt dat echt als cadeautjes uitpakken.”

Deel 8: ‘Overdag asfalteren geeft te veel fileleed’

Foto Lars van den Brink

Op zich heeft Ronald Benningshof (43) helemaal geen hekel aan nachtwerk. De walsmachinist van bouwbedrijf Heijmans kan dan tijdens de middagpauze van zijn dochter (7) en zoon (11) thuis een boterhammetje met ze eten. „Als ik overdag dienst heb, zie ik ze veel minder. Ik vertrek dan voor de spits en kom met alle files soms pas om half acht ’s avonds thuis.”

’s Nachts werken is wel zwaarder, vindt hij. Vaak moet hij dan snelwegen asfalteren – overdag zou dat „te veel fileleed” opleveren. De tijdsdruk is groot. En wat te denken van de vrachtwagens die met 100 kilometer per uur voorbij razen in plaats van de toegestane 70? „Dat is geen pretje.”

Fietspaden, snelwegen, de start- en landingsbanen van Schiphol, alles heeft Benningshof in zijn 22 jaar bij Heijmans al onder zijn wals gehad. Ook in zijn vrije tijd let hij overal op de kwaliteit van het wegdek. „Nederlanders zijn altijd enthousiast over de Duitse snelwegen, maar qua asfalt kunnen ze nog veel van ons leren.”

Dit jaar staat Benningshof onder andere ingepland voor de verbreding van de A27 tussen Utrecht en Eemnes. Ongeveer de helft van zijn diensten werkt hij ’s nachts. „Ik mag altijd in een hotel blijven slapen als een project ver van mijn woonplaats Spijkenisse is. Dat doe ik dikwijls. Maar dan zie ik mijn gezin wel minder.”

Deel 9: ‘Vrije dagen heb ik nodig om bij te komen’

Foto Lars van den Brink

Zorgen dat de haven van Rotterdam veilig blijft. Dat is „populair gezegd” het werk van Bas van den Bos (60). Als ‘scheepvaartmeester A’ heeft hij de leiding op de patrouilleboten die onder meer worden ingezet bij „aanvaringen, mensen te water, brand op een schip of aan de wal”. En zo nog een hele lijst.

De veelzijdigheid, dat maakt zijn werk leuk, al 42 jaar. Van den Bos: „Ben je rustig aan het varen en opeens sta je drie minuten later in je brandweerpak.” Hij zit in een „doorlopend leerproces” om bijgeschoold te blijven, van trainingen in het omgaan met gevaarlijke stoffen tot cursussen over nieuwe wetgeving.

Per jaar draait hij 220 wachten. Een derde zijn nachtdiensten, van tien uur ’s avonds tot zes uur ’s ochtends. „Alertheid is nooit een probleem. We zijn altijd met drie of vier man aan boord. Je houdt elkaar scherp: ‘Hey, heb je dat gezien’, ‘Laten we dat schip inspecteren’. Geen nacht is hetzelfde.”

Nu hij ouder wordt duurt het herstel wel langer. Zeven dagen werkt hij aaneen, waarvan de laatste twee of drie in de nacht. Daarna volgen vier vrije dagen. „Toen ik 18 was kwam ik na een nachtdienst halverwege de dag mijn bed uit en had ik daarna een zee van vrije tijd. Nu heb ik die dagen echt nodig om bij te komen.”

    • Ykje Vriesinga