Opinie

    • Jutta Chorus

Waarom de PVV geen koffie lust

In een tijd dat iedereen blaft als een pitbull én jankt als een gebeten hond, maakt Azzedine Karrat, imam van de Rotterdamse Essalam-moskee, een dartel gebaar. Vóór zijn werkkamer, aan het Vredesplein, presenteerde Geert Wilders vorige week de lokale PVV-lijsttrekker. Denk- leider Tunahan Kuzu dook ter plekke op om de PVV-top met gelijke munt terug te betalen. Woede moest met woede worden beantwoord.

En wat deed Karrat? Hij bood het hele gezelschap in zijn moskee koffie aan en kleurig ingepakte koekjes. Daarmee sloeg hij Wilders en Kuzu ineens het wapen van de polarisatie uit handen.

De PVV’ers sloegen het aanbod ongemakkelijk af. „Dit gebouw staat voor één ding: de islamisering van Rotterdam”, zei de lijsttrekker, die de volgende dag alweer zou worden gedumpt, want extreem-rechts.

„We wilden geen tegendemonstratie voeren”, zegt de imam als ik hem zondag spreek. „Haat bestrijd je niet met haat.” Hij wilde evenmin „in de slachtofferrol kruipen”. En zo kwam Karrat uit bij de koekjes. Het deed mij denken aan de krenten die een Provo uitdeelde in 1966, waarmee zij de politie zo in de war bracht, dat die haar arresteerde – en zichzelf voor gek zette.

Karrat heeft een geschiedenis van vreedzame protestjes. Vorige maand kondigde Leefbaar Rotterdam aan een ‘afluisterambtenaar’ in te stellen om preken in moskeeën te controleren. Is de toon te extremistisch, dan moet de betreffende moskee sluiten. Karrat maakte daarop een foto van twee lege stoelen voor de wethouder en de ambtenaar. „We starten vrijdagmiddag om 12:30 uur”, schreef hij erbij.

Hij ziet de politiek afdrijven van gewone mensen. Links en rechts verhardt de toon. Bij Buitenhof debatteerden zondag Denk-leider Kuzu en Leefbaar-lijsttrekker Joost Eerdmans op hoge toon over het taalprobleem van jonge moslims, over discriminatie door werkgevers, over Turkse enclaves.

„De volksvertegenwoordiging is belangrijk, maar de samenleving moet het werk doen”, zegt Karrat. Op straat ziet hij Nederlanders en Turkse en Marokkaanse Nederlanders in lieve vrede boodschappen doen. Werknemers nemen samen de bus of de metro naar hun werk, kinderen gaan naar dezelfde school.

Karrat spreekt desondanks „woedende jongeren” die zich uitgesloten voelen. „Het beeld dat van moslims in Nederland bestaat, wordt steeds slechter. Mijn vrouw zegt: ‘Wij lijken wel de Joden van de jaren dertig.’” Denk speelt die woede in de kaart, precies wat Karrat niet wil.

Hoe doorbreek je die woede, vraag ik. „Maak onderscheid tussen je achtergrond en je burgerschap. Als je besluit deel te zijn van de samenleving, kun je productief zijn. Als je dat nalaat, sluit je je op in jezelf.”

Jutta Chorus (j.chorus@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

    • Jutta Chorus