Recensie

Rimski-Korsakovs ‘Gouden haan’ kraait subliem in NTR ZaterdagMatinee

Onder leiding van Vasily Petrenko speelde het Radio Filharmonisch Orkest soeverein en stond het Groot Omroepkoor als een huis.

Dirigent Vasily Petrenko Foto Mark McNulty

Eigenlijk vond de oude Rimski-Korsakov het wel welletjes na het componeren van veertien opera’s. Maar toen tsaar Nicolaas II in 1905 een rampspoedige oorlog tegen Japan ontketende, begonnen de vingers toch weer te jeuken.

Het resultaat kennen we vandaag als De gouden haan (1907), een satirische sprookjesopera over de aartsluie tsaar Dodon. Afgaand op de voorspellingen van een magische orakelhaan speelt hij oorlogje in een ver buitenland. Hij laat zich er inpalmen door de bloedmooie koningin Sjemacha en stuurt ondertussen zijn twee sullige zoons de dood in.

Het laat zich raden waarom Rimski-Korsakov trammelant kreeg met de tsaristische censor.

Frappant: De gouden haan behoort niet tot Rimski’s meest gespeelde werk, maar er lijkt sprake van een voorzichtige revival. Vorig jaar bracht De Munt de opera nog op de planken in een regie van Laurent Pelly. Afgelopen weekend was bij de NTR ZaterdagMatinee een concertante uitvoering te beluisteren met een grotendeels Russische zangerscast.

Of de bijtende ironie van het werk ook overeind blijft zonder uitbundige kostuums en dito bühneontwerp? Jazeker.

Dat heeft alles te maken met de geweldige partituur (soeverein uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest onder Vasily Petrenko), waarin meesterorkestrator Rimski-Korsakov het instrumentarium virtuoos inzet om zijn personages muzikaal te portretteren.

Zo gaat de rol van Dodon vergezeld van veel tetterend koper op opgepompte marsritmiek en kraait de Haan (de vanaf het zijbalkon kraakhelder schallende sopraan Aleksandra Kubas-Kruk) op de maat van snerpende piccolo-timbres. Koningin Sjemacha weet haar noten ingebed in een exotische klankwereld, waar ook Stravinsky’s Vuurvogel en Nachtegaal uit hun ei zouden kunnen kruipen (veel geflonker van harp en celesta, zwoele strijkers en oosters getinte houtlijnen).

Sjemacha’s sensuele coloraturen waren sopraan Venera Gimadieva op het lijf geschreven. Toegegeven: de aria waarmee ze in de tweede akte haar intrede doet, klonk aanvankelijk wat aarzelend, maar al snel bracht haar parelende stem de zaal in een toverachtige roes.

Jammer dat bas Maxim Mikhailov (Dodon) bij gebrek aan volume en een broze hoogte vaak werd overstemd door het orkest. Opmerkelijk, want een jaar geleden imponeerde hij nog met een diepe stentorstem in Prokofjevs Semjon Kotko. Hoe dan ook maakte zijn briljant-kluchtige acteerwerk veel goed.

De kleine maar lastige rol van de mysterieuze astroloog, oorspronkelijk geschreven voor de zeldzame hoogte van een tenor altino, werd met verve vertolkt door tenor Barry Banks. Hulde ook voor het Groot Omroepkoor, dat in de flitsende massakoren stond als een huis.