Orkest en dirigent worden stilaan doof

Interview Remy Wenmaekers

Veel professionele musici hebben gehoorschade door de herrie op het podium. Remy Wenmaekers wil er wat aan doen.

Remy Wenmaekers: „Als muzikant weet ik hoe verleidelijk het is om te denken: ach, laat maar die oordoppen.” Foto Lars van den Brink

„Bon.” Er loopt een Fransman over het podium van het Muziekgebouw Eindhoven, goedkeurend knikkend. De concertzaal hier staat bekend om de goede podiumakoestiek: reflecterende podiumwanden, een hoog plafond, niet te grote zaal… De man knikt nog eenmaal en loopt dan de zaal uit. „Dat was de dirigent”, zegt akoesticus Remy Wenmaekers. „Hij treedt hier vanavond op met zijn symfonieorkest. Dan zitten hier pakweg tachtig musici op het podium. En, als het is uitverkocht, ruim 1.400 luisteraars.”

De afgelopen zeven jaar was Wenmaekers ook regelmatig op dit podium te vinden. Niet als musicus – al is hij geen onverdienstelijk jazzpianist – maar als promovendus. Eind november verdedigde hij aan de Technische Universiteit Eindhoven zijn proefschrift. „Ik wilde onderzoeken hoe je een prettige akoestiek op het podium kunt realiseren, maar ook hoe je een te grote geluidsbelasting bij muzikanten kunt voorkomen. Heel wat professionele musici lopen rond met tinnitus – oorsuizen – of een andere vorm van gehoorschade.”

Lopen violisten en fluitisten echt zo veel risico? Je zou het toch vooral bij rockmuzikanten verwachten…

„Het zal je verbazen hoeveel geluid de instrumenten in een symfonieorkest produceren. Mensen denken dan algauw aan percussionisten, maar die ondervinden niet altijd de grootste geluidsbelasting omdat ze relatief weinig spelen. Een viool is goed voor ruim 90 decibel, net als een altviool. De trommelvliezen van trompettisten en fluitisten hebben het nog zwaarder te verduren, met geluidsniveaus tot 95 of zelfs 100 dB. En dat terwijl de grens waarbij je gehoorbescherming moet dragen wettelijk is vastgesteld op 85 decibel.” Zoveel geluid komt ongeveer van een drukke autoweg. „Alleen de cellisten en bassisten zitten daar net onder als ze in hun eentje spelen, en blijven zo enigszins buiten de gevarenzone. Wel horen zij natuurlijk hun mede-orkestleden. Al die factoren – dus zowel zelf geproduceerd geluid als geluid van andere musici – heb ik meegenomen in een rekenmodel.”

Hoe werkt zo’n model? „Je stopt er zoveel mogelijk gegevens in - geluidssterkte van de instrumenten, akoestiek van de zaal, afstand van musici onderling, afstand van musici tot hun instrument, de hoek dat het instrument maakt ten opzichte van het oor, et cetera - en op basis daarvan bereken je de geluidsbelasting die de orkestleden ondervinden. Het is flink wat werk om alle parameters zo nauwkeurig mogelijk in te voeren. Zoals het feit dat ons gehoor gevoeliger is voor hoge tonen dan voor lage, waardoor lage tonen minder luid klinken bij gelijke decibellen. Of het feit dat je als violist je instrument bij je linkeroor houdt, waardoor dat extra veel te verduren heeft. Bij elke muzikant heb ik met een meetlint de afstand tussen eigen instrument en oor opgemeten. Of neem de geometrie van het orkest: om de afstand van de musici ten opzichte van elkaar zo precies mogelijk op te meten zijn studenten naar de nok van de zaal geklommen en is van daaruit een foto gemaakt van een complete orkestopstelling, waardoor we de XY-coördinaten van elke muzikant konden bepalen. Met het model heb ik vervolgens berekend in hoeverre diverse ingrepen helpen de geluidshinder terug te dringen. Het plaatsen van plexiglas schermen tussen de verschillende orkestpartijen bijvoorbeeld, of het vergroten van de ruimte, of het aanbrengen van geluidabsorptie…”

Kun je niet gewoon een decibelmeter bij de instrumenten houden?

„Dat hebben we ook gedaan, om te checken of het rekenmodel accuraat was. Maar het is lastig om op die manier breed geldende conclusies te trekken. Niet elke muzikant speelt even hard, bijvoorbeeld. En als je enkele muzikanten in een orkest voorziet van zo’n decibelmeter, dan is het heel moeilijk om onderscheid te maken: hoeveel geluid komt van hun eigen instrument, hoeveel geluid van het hele orkest?

„Dat hebben we ondervangen door het orkest in tien groepen te delen – de violisten, de cellisten, de koperblazers, enzovoort – met in elke groep een solist die een decibelmeter kreeg. Vervolgens lieten we ze toonladders spelen: eerst de solist, dan de hele groep, dan het hele orkest.”

En wat kwam daaruit?

„Het eigen instrument blijkt vaak evenveel bij te dragen aan het geluidsniveau dat de oren van een musicus bereikt als alle andere instrumenten in het orkest samen. Met andere woorden: geluidswerende oplossingen hebben eigenlijk nauwelijks effect. Vervang je de orkestbak door een podium, dan scheelt dat pakweg 3 decibel – een substantiële verbetering, maar niet voldoende om je gehoor écht te beschermen.

„Voor mijn rekenmodel heb ik ook onderzocht wat de invloed van medemuzikanten op de geluidsdemping is. Ik heb drie busladingen paspoppen hier naar het concertgebouw gebracht – tachtig stuks in totaal – en die op het podium opgesteld, en vervolgens decibelmetingen gedaan. Hoe meer lichamen, des te meer demping, maar niet zodanig dat het de oren beschermt tegen het geluid. Het plaatsen van plexiglasschermen helpt ook nauwelijks, omdat je dus nog altijd met het volume van je eigen instrument zit. Een fagot bijvoorbeeld produceert, in tegenstelling tot wat mensen denken, vooral geluid halverwege het instrument, ter hoogte van de kleppen. Niet aan het einde van de buis. En juist die kleppen bevinden zich relatief dicht bij de oren van de muzikant.”

Allemaal aan de oordoppen dus?

„Dat zou effectief zijn tegen de gehoorschade, ja. Maar zo eenvoudig is het niet: met oordoppen in ervaar je het geluid heel anders dan zonder gehoorbescherming. Dat geldt al voor een gitarist in een rockband, maar helemaal voor een trompettist of een violist in een symfonieorkest. Bij een instrument dat je kaak raakt, ervaar je namelijk ook directe trillingen. Die worden niet tegengehouden door oordoppen, en daardoor verandert de geluidsbalans opeens. Via je oren komt alles gedempt binnen, maar de trillingen via je kaakbeen klinken nog altijd even luid.

„Er zijn wel steeds geavanceerdere oordoppen op de markt, bijvoorbeeld met een microfoon aan de buitenkant en een speakertje aan de binnenkant, zodat je zelf het geluidsniveau kunt reguleren. Dat werkt al beter dan die schuimpjes van een paar euro. Maar ideaal is het allemaal niet. Het dragen van oordoppen doet voor veel muzikanten toch afbreuk aan de ervaring, en daarnaast is het ook een stukje acceptatie. Niet elke dirigent juicht het toe als zijn orkestleden oordoppen in hebben.”

En naarmate de dirigent dover wordt, moeten de muzikanten nog harder spelen en neemt de gehoorschade toe…

„Ja, in die zin is het een vicieuze cirkel. Sinds 2006 zijn orkesten als werkgevers wettelijk verplicht om oordoppen te verstrekken aan hun werknemers als ze het geluidsniveau van 85 dB overschrijden, maar in veel orkesten gebeurt dat nog niet voldoende. Als muzikant weet ik hoe verleidelijk het is om te denken: ach, laat maar. Alleen is het zo zonde dat gehoorschade onomkeerbaar is. En het ontstaat sluipend. Achteraf denk je: had ik maar… Maar dan is het al te laat. Oordoppen zijn overigens niet de enige manier waarop je geluidsbelasting effectief kunt verminderen. Je kunt ook kijken naar het ontwerp van de instrumenten zelf. De afgelopen eeuwen is er een trend ontstaan: we willen steeds effectievere muziekinstrumenten, die met zo min mogelijk inspanning een maximaal volume produceren. Dat dat niet altijd zo is geweest, ervaar je bijvoorbeeld door naar een barokorkest te luisteren. Dat klinkt veel zachter. Als iedereen op instrumenten uit de Middeleeuwen zou spelen, zou dat heel wat decibellen schelen.”

Ons gehoor kan anticiperen op veel lawaai. Gebeurt dat ook bij muzikanten?

„De oorspieren kunnen zich inderdaad aanspannen bij lawaai. Het is heel aannemelijk dat deze spieren zich zelfs van tevoren schrap zetten als je zelf speelt. Zelf speel ik in een jazzcombo en tijdens het repeteren vind ik het geluid prima. Maar als de trompettist in de pauze een solo oefent, klinkt het opeens een stuk luider. Terwijl hij helemaal niet harder blaast. Misschien span ik mijn oorspieren dan minder aan, misschien is het een kwestie van perceptie. Dat is eerder al uit buitenlands onderzoek naar voren gekomen: orkestleden hebben het idee dat hun buren meer ‘herrie’ maken dan zijzelf.”