Opinie

    • Marike Stellinga

Waar blijft dat klimaatkonijn nou?

We hebben haast. Er moet groots worden ingegrepen. Alles moet anders. Er gaan tegenwoordig niet veel weken voorbij zonder dat deze boodschap over klimaatverandering uit de mond van een politicus, regeringsleider, wetenschapper, bedrijfsleider of alarmist te horen is.

De grote vraag waar ik telkens mee achterblijf: wat gaat er dan veranderen? De enorme grote woorden staan in schril contrast met de aangekondigde concrete maatregelen. Wat er precies op ons afkomt, ligt nog te gisten in een vat waarvan regeringen het brouwsel nog aan het bewerken zijn.

Neem ons eigen kabinet: het groenste ooit, wordt gezegd. Er staan allerlei plannen in het regeerakkoord. Maar in beton gegoten is alleen het doel, zei klimaatminister Eric Wiebes (VVD) vorige week: in 2030 moet de CO2-uitstoot in Nederland 49 procent lager liggen dan in 1990. Over hoe dat doel precies bereikt wordt, wil Wiebes het komende jaar een klimaatakkoord sluiten. Er komen vijf ‘tafels’ waaraan bedrijven, milieuclubs, vakbonden en overheden met Wiebes gaan onderhandelen.

Ook Wiebes waarschuwt dat er van alles gaat veranderen. We moeten zonder fossiele brandstoffen (olie, kolen en gas) onze energie opwekken. Dat betekent bijvoorbeeld elektrisch koken en autorijden. Deze ‘energietransitie’ is duur, voorspelt Wiebes. En die kosten gaat iemand betalen. Wiebes wil geen bedrijven wegjagen uit Nederland én draagvlak onder burgers behouden. Het leven moet wel leuk blijven.

Precies daar zit de politieke angel: wie gaat deze kosten betalen? Tot nu toe is de verhouding bij groene belastingen kraakhelder: burgers betalen de rekening. De milieubelastingen brachten in 2016 25,3 miljard euro op, berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek in augustus. Bijna tweederde daarvan kwam van huishoudens. Terwijl zij maar verantwoordelijk zijn voor ongeveer 20 procent van de uitstoot van broeikasgassen. De rest komt van bedrijven.

Waar ik voor vrees, is een onwil om het grote bedrijfsleven, en dan met name de industrie, transport en landbouw, zijn ware deel van de rekening te laten betalen. Het regeerakkoord kondigt wel maatregelen aan die bedrijven raken. Maar voortdurend hoor je in het lobbycircuit het argument: ja, maar anders vertrekken die bedrijven naar een ander land zónder zulke hoge groene belastingen. Of: ze berekenen die belastingen toch door in hun prijzen aan consumenten. Vestzak, broekzak voor burgers. Dus wat maakt het uit?

Het maakt uit. Niet alleen omdat het rechtvaardiger is als bedrijven meebetalen. Belasting heffen is een onderdeel van de democratie. Daar past geen cynisme. Politici die dit soort argumenten gebruiken, onderschatten hun taak en hun macht. Het maakt ook uit omdat het helpt bij die zo gewenste energietransitie. Groene belastingen op vervuilende productieprocessen stimuleren bedrijven om zuiniger of anders te produceren. Liefst 55 procent van het gebruik van fossiele energie wordt nu niet belast, concludeerde het Planbureau voor de Leefomgeving in november. Vooral de consument krijgt de groene belastingen voor zijn kiezen, terwijl het effectiever zou zijn in het productieproces groene belastingen te heffen, aldus het PBL.

Er is weinig veranderd in hoe Nederlanders denken de afgelopen 25 jaar, bleek uit een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau deze week. Maar één opvatting veranderde wel: de steun voor dwingend ingrijpen door de overheid om het milieu te sparen nam sterk af. Ook al is nog steeds een meerderheid vóór. Dat kan zomaar verder dalen als al die extra miljarden aan klimaatkosten onevenredig bij burgers terechtkomen.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.
    • Marike Stellinga