Vuur maken is veronachtzaamd erfgoed

Dani-man uit de Baliemvallei, Nieuw-Guinea, gebruikt een vuurkoord. Foto Alamy

Te laat, te laat, zei Winnetou. Niemand schijnt eraan gedacht te hebben al die oeroude manieren om vuur te maken tot cultureel erfgoed te verklaren: de vuurboor, de vuurboog, de vuurploeg, de vuurzaag. Nu dreigen de oude vuurmakers uit te sterven zonder dat hun vaardigheden in eigen kring en onder eigen nageslacht zijn opgeslagen. Want de toerist komt natuurlijk alleen naar het klompen maken kijken als Unesco er een stempel op zet.

Dat is het treurige gevoel dat je overhoudt na het lezen van ‘Vuur – Het plezier van vonken, vlammen en smeulen’ van de Britse survivalexpert Daniel Hume, een vertaling van ‘The Art of Fire’ dat eerder dit jaar uitkwam. Hume geeft cursussen overleven-in-de-wildernis en reisde langs Namibië, de Filipijnen, Maleisië en Nieuw Guinea om er traditionele vuurmaakmethoden te bestuderen. Hoogbejaarden lieten het zien, Hume maakte er foto’s van, bedacht korte beschrijvingen en lardeerde het geheel met vlotte survivalverhalen.

Laatste der Mohikanen

Hume is erg oppervlakkig, de vertaling is erg krakkemikkig, maar toch is het boek erg de moeite waard. Binnen twee uur heb je een mooi overzicht over de bestaande technieken en zie je hoe die door de laatste der Mohikanen worden toegepast. En je maakt kennis met de niche waarin de technieken terechtkomen: de trainingscursussen ‘bush skills’ bezocht door de sportieve lui die met bijlen en grote messen de natuur in trekken.

Het vuur maken blijkt te berusten op drie principes: frictie, percussie en adiabatische compressie

Wie eenmaal weet welke technieken er zijn en hoe die in het Engels heten (fire drill, bow drill, enz.) vindt YouTube-films in overvloed van ‘wilderness experts’ die in een vloek en een zucht, maar zonder zweet en lucifers, de brand steken in allerhande pluksels, vogelnestjes, baardmos (Usnea-soorten) en berkenbast. De AW-afdeling woudloop kan de schitterende brandbaarheid van baardmos en berkenbast uit eigen ervaring bevestigen. Komend voorjaar zal zij ook wat mezennestjes aansteken.

Google Scholar wijst de weg in de beter gestructureerde literatuur uit de disciplines antropologie en (experimentele) archeologie. Het vuur maken blijkt te berusten op drie verschillende principes: frictie, percussie en adiabatische compressie. Onder ‘frictie’ vallen de hout-op-hout technieken die gebruik maken van de hitte die vrijkomt als twee droge houtsoorten langs elkaar worden gewreven of gedraaid: de vuurboor, de vuurboog, enzovoort.

Steen-op-steen

Onder percussie, het vonken slaan, vallen voornamelijk steen-op-steen technieken. Het gaat erom vonken te laten wegspringen die zo lang en zo heet nagloeien dat ze droog spul als vruchtpluis en hooi (de ‘tondel’) tot smeulen brengen. Voorzichtig en deskundig blazen doet de rest. Er is één percussie-methode die afwijkt. In het gebied rond Indonesië, de Filippijnen en Nieuw-Guinea komt een slanke bamboesoort voor, Schizostachyum, die vonken afgeeft als je er met een stuk steen of porselein op slaat. Een bizarre steen-op-hout techniek, dus. Alfred Russell Wallace noemt hem al in ‘The Malay Archipelago’ (1869).

Even uniek is het middel dat berust op adiabatische compressie: de ‘fire-piston’ die wij hier een vuurpomp noemen. Hij bestaat uit een houten cilinder met een goed passende, nauw sluitende houten zuiger die er op het moment suprême wordt ingeslagen. De ingesloten luchtmassa wordt zo heet van de compressie dat een eveneens ingesloten plukje tondel ervan gaat gloeien. Dit soort toestelletjes wordt ook industrieel geproduceerd en verhandeld.

Alle technieken zijn in het boek van Daniel Hume opgenomen. Archeologen denken dat het vonken slaan de oudste techniek is, maar beseffen dat de attributen uit de hout-op-hout technieken makkelijk spoorloos verteren. In de oudste percussie-techniek werd met een vuursteen een vonk geslagen van een stuk pyriet of marcasiet, beide vormen van ijzersulfide (FeS2) met meer of minder grote kristallen. De vonk die vrij kwam werd opgevangen in een gedroogd stuk ‘echte tonderzwam’ (Fomes fomentarius) die wij vroeger nog gewoon tondelzwam noemden, met de l van lullig. De harde zwamsoort, die op bomen groeit en in Nederland algemeen voorkomt, raakt in droge vorm makkelijk aan het smeulen en blijft ook lang dóórsmeulen. Het staat vast dat deze techniek al 35.000 jaar geleden werd gebruikt, schrijft archeoloog Jürgen Weiner in het Bulletin of Primitive Technology (Fall 2003). De 5.000 jaar oude ijsmummie Ötzi die in 1991 in de Alpen werd gevonden had tonderzwam bevuild met pyriet op zak. Wat de Germanen bij zich hadden toen ze op hun boomstammen de Rijn afzakten viel deze week niet zomaar te achterhalen. ’t Kunnen ook vuurboren zijn geweest want rond 500 voor Christus arriveerde ook de frictie-techniek in Europa.

De gemiddelde wildkampeerder heeft helemaal niets aan deze technieken, daar valt niet omheen te draaien. Als hij zijn aansteker kwijt is en zijn lucifers zijn nat geworden kan hij naar zijn warme hapje fluiten, zelfs als hij een staafje ceriumijzer (het goedje waaruit vuursteentjes bestaan) bij zich heeft om stevige vonken te maken. Want als de lucifers zijn nat geworden zullen ook de vogelnestjes wel vochtig zijn. Het ziet er al beter uit als hij een fles benzine en wat droog WC-papier in zijn rugzak heeft, daarop slaan de cerium-vonken wel aan.

Het vuurkoord

Sinds kort knelt de gedachte dat het vuurkoord (fire cord, fire thong) te weinig aandacht heeft gekregen. Papoea’s maken wel vuur door een reep rotan heen en weer langs een liggende bamboe-tak te trekken, zie het plaatje. De tak wordt zo heet dat de tondel eronder gaat smeulen. De kampeerder kan misschien iets dergelijks bereiken met een droge katoenen veter of scheerlijn? Nieuw AW-project.

    • Karel Knip