Recensie

Vredige taferelen van een land in verval

Nederland 1700-1800 Behalve Venetië is geen stad zo vaak getekend als Amsterdam. De 18de-eeuwse stadsgezichten laten een stad zien zoals de Amsterdammers die graag zagen: schoon, welvarend en veilig.

Reinier Vinkeles: Wintergezicht van de Varkensmarkt, het huidige Frederiksplein, in Amsterdam. Illustratie Stadsarchief Amsterdam / Collectie Atlas Splitgerber

Op een tekening van H.P. Schouten uit 1779 zien we een kleine straatmarkt aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. Het is een zomerse dag, de Amsterdammers doen nijver hun werk, een groentevrouwtje drijft haar knollen en wortelen op een kruiwagen voorwaarts, sleperskarren vervoeren omvangrijke balen, heren en dames groeten elkaar beleefd en zelfs de honden spelen braaf met hun bot. Links in beeld verdringen zich enkele bepruikte heren bij een kraam waar schilderijen en prenten te koop zijn. Ongetwijfeld kon men op die markt ook prenten van Amsterdam aanschaffen. Het was in die eeuw een Europese, zo niet een Nederlandse of zelfs Amsterdamse rage om steden en landschappen te tekenen en in prent te brengen.

Geen stad behalve Venetië is zo vaak getekend als Amsterdam. Dat leert ons het boek Kijk Amsterdam, 1700-1800, verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling in het Stadsarchief van Amsterdam (tot 14/1/2018). Het bevat behalve ruim tweehonderd reproducties zes essays die je dwingen nog beter te letten op de afgebeelde architectuur, kleding en straattaferelen. Het zijn in het atelier met pen en penseel zorgvuldig uitgewerkte tekeningen, uitgebalanceerde composities, vanuit een aangename hoek getekend en met op de juiste plek een zetstuk: een wandelaar, een kar, een koets, alles zeer gedetailleerd afgebeeld. Eerder met documentaire precisie dan met een sfeervolle losheid. Dat waren de esthetische normen, dat wilden de kopers, zo zagen de Amsterdammers hun stad het liefst.

Het effect is de verbeelding van een ideale stad met modelburgers, waar ieder zijn plaats wist, waar geen haast, geen straatgewoel, geen stank en straatvuil bestond. Toch, bij nadere beschouwing ziet men wel enkele onregelmatigheden: een bedelaar, in het openbaar plassende mannen, weeskinderen, een kwajongen die een beurs steelt op de kermis, maar het blijft allemaal in de marge. Dat er zoals in alle Europese metropolen volop diefstal, moord en doodslag in deze ruim tweehonderdduizend inwoners tellende stad voorkwamen, zien we ook al niet.

Voornaam gezelschap

Datzelfde Amsterdam werd in de zomer van 1718 bezocht door een voornaam gezelschap uit Frankfurt, onder leiding van Zacharias Conrad von Uffenbach (1683-1734), een jurist uit een gefortuneerd Frankfurter patriciërsgeslacht. Hij en zijn broers waren reislustige heren die al eerder de Nederlanden hadden bezocht. Een van die reizen was een Bibliothekreise, waarop zoveel mogelijk bibliotheken, kunstverzamelingen en geleerden werden opgezocht. Uffenbach legde thuis in Frankfurt, waar hij burgemeester zou worden, een imposante bibliotheek aan, die uitgroeide tot 60.000 titels.

Van die reis – door de Nederlanden en Engeland – die hij tussen 1709 en 1711 maakte, verscheen na zijn dood een driedelige gedrukte versie, de Merkwürdige Reisen. Het is een belangrijke uitgave omdat hij Nederland beziet door een bewonderende, maar ook zeer kritische bril. Negen jaar later bezocht Uffenbach de Nederlanden opnieuw, nu als Lustreise. Ook daarvan bestaat een verslag. Het is geschreven door een meereizende vriend Johann von Glauburg en bevindt zich in de Georg-Augustbibliotheek in Göttingen. Van dit verslag is nu een uitgave verschenen van de hand van J.R. ter Molen.

Reinier Vinkeles: Zomergezicht van de Varkensmarkt, het huidige Frederiksplein, in Amsterdam. Illustratie Stadsarchief Amsterdam / Collectie Atlas Splitgerber

Het reislustige gezelschap bestond behalve uit Uffenbach, zijn twee broers met hun echtgenotes en Von Glauburg, uit nog twee kinderen en enig personeel. Hun belangstelling gold buitenplaatsen en tuinen, steden met hun bezienswaardigheden zoals kerken, stadhuizen en sociale instellingen. Hun aandacht ging opvallend vaak ook uit naar industriële instellingen zoals tapijtweverijen, aardewerk- en porseleinfabrieken, zijdespinnerijen, katoendrukkerijen en glasblazerijen. Zelfs een fabriek voor vingerhoeden werd niet overgeslagen.

Het verslag van Von Glauburg is minder interessant dan Uffenbachs relaas van diens eerdere reis. Hij noteert wel alle bezienswaardigheden, maar een persoonlijk commentaar of kritische blik is ver te zoeken. De man vindt alles ‘schön’ of ‘artig’ of een enkele keer ‘sehr curieux’.

Het document is door Ter Molen uitputtend bestudeerd en toegankelijk gemaakt en geannoteerd. Alle bezichtigde plaatsen worden kort beschreven en voorzien van achtergrondinformatie en dat geldt ook voor personen die men onderweg ontmoette. Hierna volgt de transcriptie van de oorspronkelijke tekst. Het royaal uitgegeven boek is uitvoerig geïllustreerd.

Strafinstellingen

Zoals in Kijk Amsterdam ervaren we ook in het verslag van Von Glauburg weinig dat de kalme beheerstheid van het vredige Amsterdam verstoort. Wel bezocht het Frankfurter gezelschap het Dolhuis en het Leprozenhuis, en strafinstellingen zoals het Rasphuis en het Spinhuis. Maar deze bevestigden juist die keurige samenleving. Al het maatschappelijk ongewenste was uit de samenleving verwijderd.

Beide boeken maken iets duidelijk over wat men Zeitgeist kan noemen, een sterke voorkeur voor rust en overzichtelijkheid. Von Glauburg leverde een enkele keer kritiek op tuinen die men te klein of te weinig evenwichtig ontworpen achtte. Die hang naar orde en regelmaat betekende ook de veronachtzaming van het middeleeuwse. Gotische bouwwerken in Brussel, Leuven en Aken, aangeduid als ‘antique’, werden min of meer genegeerd. Dat past, zoals in Kijk Amsterdam wordt benadrukt, goed in het patroon van een esthetische voorkeur voor classicistische bouwwerken en in de zo evenwichtige en bevallig getekende straatgezichten. Dat is des te meer opvallend omdat de topografische tekenaars van de zeventiende eeuw juist een sterke voorkeur hadden voor oude, verzakte, zelfs ruïneuze bouwwerken. Historisch gezien bieden deze twee boeken dus een zonnig, maar eenzijdig beeld van een schoon en welvarend Nederland dat in werkelijkheid deerlijk in verval raakte.

    • Roelof van Gelder