Opinie

    • Christiaan Weijts

Verbied vuurwerk, het ritueel kan prima zonder

Een verbod op vuurwerk? Wéér iets dat ‘de gewone man’ wordt afgepakt. Dat valt reuze mee, concludeert Christiaan Weijts. Knallen kan ook zonder vuurwerk.

Illustratie: Ilka en Franz

Spanjaarden eten twaalf druiven. Denen smijten servies stuk. Grieken hangen uien aan de deur. Roemenen verjagen het kwaad in berenkostuums. Nieuw-Zeelanders rammelen met pannendeksels, pollepels en ander keukengerei. Elk volk heeft zijn eigen vorm om het geluk af te dwingen in de nacht naar een nieuw kalenderjaar.

Natuurlijk gelooft niemand nog werkelijk dat hij goden gunstig stemt, kwade geesten verdrijft en de gemeenschap zuivert voor een nieuw begin. De druiven, uien en scherven hanteren we met een knipoog, als attributen in een spel. Uit de oorspronkelijke riten staat alleen het plotselinge saamhorigheidsgevoel nog overeind. De secondewijzer – maar één keer per jaar heeft hij een echte functie – telt af naar een gesynchroniseerde euforie.

Nederlanders grijpen, vooral sinds de jaren zeventig, massaal naar het oeroude symbool van zuiverende energie: het vuur. En hoewel onderzoeksbureau I&O Research vorige week rapporteerde dat wij negatiever tegenover vuurwerk staan, is een minderheid vóór een verbod: 47 procent, net als in 2015.

Ook van mij mag dat verbod vandaag nog ingaan. De jaarlijkse oorlogsfeer, de schade, het letsel, de vervuiling, het weegt domweg niet op tegen het vermeende plezier.

Waarom houdt een substantieel deel zo hardnekkig vast aan die rotjes en vuurpijlen? Rationele argumenten vóór zijn er niet te noemen. Sterker: rationeel gezien pleit alles tegen.

O ja, het aantal slachtoffers daalt, maar bij de laatste jaarwisseling meldden zich toch nog 473 vuurwerkslachtoffers bij de spoedeisende hulpposten. Plastische chirurgen amputeerden 25 vingers en kregen 33 patiënten met ernstig letsel. De materiële schade wordt op 13 miljoen geschat. Er is voor ongeveer 68 miljoen euro aan vuurwerk de lucht in gegaan.

Verbieden helpt niet, hoor je vaak, want de zwaarste ongelukken gebeuren met illegaal vuurwerk. Zelfs als dat waar is, kun je die vandalen pas effectief eruit vissen als álles illegaal is, elke knal een potentieel proces-verbaal.

Legaal vuurwerk is ook verre van onschuldig. Ik ken een chef-kok uit Zutphen, die een paar jaar terug braaf zijn kinderen beschermbrilletjes opzette. Verderop viel iets om en tjak … vuurpijl in zijn oog.

We kennen de verhalen, we kennen de cijfers, en het helpt niets. Waarom toch? Omdat de jaarwisseling diep onder al onze verstandelijke vermogens nog altijd een echte rituele kracht is: duister, magisch, instinctief. Een zuiveringsritueel vol bijgeloof dat er om schreeuwt om op één exacte manier te worden uitgevoerd, op het dwangmatige af. Twaalf druiven. Klokslag twaalf uur. Wie afwijkt tart het lot.

Rituelen zijn irrationeel. Ze werken op ons instinctieve, zintuiglijke en onbewuste systeem. Ik kan de oudjaarsavonden uit mijn jeugd ruíken; vette oliebollen met poedersuiker, kruitdamp in de koude gang. En ik geniet als ik mijn kinderen, slaperig in pyjama, diezelfde herinneringen zie aanmaken. Zó moet het, en geen millimeter anders.

Ook al vertolkt sinds 1954 een cabaretier de rol van hogepriester die goed en fout sorteert, een zuiveringsritueel blijft het. Met terugblikken, met goede voornemens, met bijgeloof: al die rimram van ons primitieve brein. Dit is het laatste restje magisch denken dat onze doelmatige rationele wereld gedoogt.

Vooral in Nederland komt daar nog de traditie bij van exces, driftontketening, grensoverschrijding. Ik zag beelden van de Haagse politie die oefende voor de jaarwisseling: alsof ze op oorlogsmissie gingen. Vooral Den Haag is in dit opzicht interessant en illustreert het onderliggende dilemma.

De secondewijzer telt af naar een gesynchroniseerde euforie

Den Haag ontwikkelde na de oorlog de traditie van het rausen: zoveel mogelijk kerstbomen zien te jatten, met complete tribale oorlogen tussen jeugdbendes als gevolg. Daarop besloot de gemeente plekken aan te wijzen voor legale vuurstapels. Daarvan bleven er twee over: Scheveningen en Duindorp, die jaarlijks strijden om ‘de hoogste’. Maar omdat ook dat te gevaarlijk werd, is besloten dat ze maar 35 meter hoog mogen zijn. Dit jaar dreigde Scheveningen om niet mee te doen omdat de lol er zo af is.

Ook het exces, de roes en de agressie horen bij het zuiveringsritueel: nog één keer alle duistere driften loslaten; en het ís ook gewoon lekker, iets slopen, nietwaar? Zodra je dat als overheid gaat reguleren is het per definitie geen overschrijding meer.

Dubbele paradox

Daar zitten we dan, opgescheept met een dubbele paradox. We moeten een ritueel veranderen dat juist bij uitstek in vaste herhaling is verankerd. En we moeten een controleerbare vorm vinden voor het ongecontroleerde en het vormloze, regels voor de rebellie.

Hier wordt niet zozeer onze Nederlandse identiteit bedreigd; hier wordt ‘de gewone man’ weer eens iets afgenomen, in een wereld die al zo snel verandert en waar al amper meer rituelen bestaan. Zet je dat tegenover de schade en het aantal slachtoffers van vuurwerk, dan klinkt dat precies zoals de longpatiënt die niet wil stoppen met roken, want hij laat zich zijn laatste pleziertje niet afnemen.

Dat we snakken naar ontladende momenten van collectief geluk, roes en euforie is zonneklaar. Kijk maar naar massa-evenementen als het ‘Nationale Aftelmoment’ dat nog maar een paar jaar bestaat. Deels is daarmee het eerste dilemma al wat verzacht: tradities veranderen kennelijk vanzelf.

Venetianen proberen sinds 2008 jaarlijks op Oudejaarsavond het wereldrecord zoenen te verbreken. New Yorkers houden sinds 2007 een Good Riddance Day op Times Square, waar ze voorwerpen vernietigen waar slechte herinneringen aan kleven. Onze Nieuwjaarsduik groeide pas recent uit tot massaal evenement uit. Goed, dat is de festivalisering, onze onstuitbare frivoliteitscultuur, geobsedeerd door positiviteit. Maar wat doen we met de negatieve kanten, met die andere ‘Catch 22’: het reguleren van de anarchie, het vorm geven aan wat juist vorm ondermijnt?

Laat dat nu precies zijn waar kunstenaars mee vertrouwd zijn: het delicate proces tussen sturen en vrijlaten, tussen orde en regelloosheid, van ín de samenleving staan en ertegen rebelleren. Kunstenaars kunnen meedenken over nieuwe vormen, waarbij de jaarwisseling niet The Passion achterna gaat, maar allerlei kleinschalige gestalten krijgt op buurtniveau. Verzamel afgedankte spullen op het pleintje: kasten, tv’s, servies. Deel honkbalknuppels uit aan de jeugd, en rammen maar.

Oké, het is maar een suggestie. Er is een eenvoudigere en tegelijk radicalere stap te zetten. Laten we oud en nieuw opvatten als een kunstwerk.

Klinkt dat idioot? Denk er eens over na. Grotendeels ís het al een kunstwerk, die tijdszone met haar eigen wetten. Het is sociaal theater, een performance. De jaarwisseling als readymade erkennen is feitelijk maar een minieme verschuiving van perspectief, maar het opent veel mogelijkheden. Het spel wordt wendbaar, veranderlijk, experimenteel, en ook nog eens iets waar we met z’n allen aan hakken, schuren, choreograferen, schilderen, componeren. En waar we ons verantwoordelijk voor gaan voelen.

Consumentenvuurwerk is sinds 2015 erkend als immaterieel erfgoed. Op die lijst staan allerlei gebruiken die museaal en marginaal zijn, zoals dit jaar het ambacht van molenaar. Prachtig, maar ze staan wel in een vitrinekast. Veel spannender is iets dat echt leeft en evolueert. Laten we de jaarwisseling uitroepen tot ons collectieve kunstwerk.

    • Christiaan Weijts