Recensie

Sheherazade aan het woord

Sprookjes Sprookjes uit ‘de Oriënt’ maken hier ineens een inhaalslag. Dat lijkt voort te komen uit de behoefte aan fictie die een blik biedt op andere culturen. We delen meer met elkaar dan we soms denken.

Illustratie Annemarie van Haeringen

In de wondere wereld van het sprookje waait een magische wind uit het Oosten. Na alle aandacht de laatste tien jaar voor de sprookjes van Grimm en Andersen – met onder meer door Charlotte Dematons en Jan Jutte schitterend geïllustreerde nieuwe uitgaven – verschenen er recentelijk maar liefst drie bundels met sprookjes en verhalen die hun oorsprong in het (Midden-)Oosten hebben.

Rasvertellers Ed Franck en Imme Dros bewerkten vertellingen uit Duizend-en-een-nacht in respectievelijk Twintig Parels en En toen, Sheherazade, en toen? met prenten van Martijn van der Linden en Annemarie van Haeringen. De in Irak geboren schrijver Rodaan Al Galidi ging op zoek naar de mooiste sprookjes uit zijn ‘kindertijd, de literatuur en geschiedenis’ en bundelde deze in Arabische sprookjes, voorzien van in het oog springende illustraties van knipkunstenaar Geertje Aalders.

Die stormachtige sprookjesopmars vanuit ‘de Orient’ is opvallend, maar niet toevallig. De roep om fictie die multicultureel Nederland weerspiegelt en een blik biedt op andere culturen klinkt steeds luider. In de lezing bij de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs hield Nasim Miradi van uitgeverij ROSE stories (‘waar verhalen uit verschillende culturen vorm vinden’) een warm pleidooi voor ‘verhalen die de wereld in beweging brengen’, zodat vooroordelen kunnen verdwijnen.

Iedereen die de aard van sprookjes kent en weet dat deze vanuit de orale verteltraditie ontsproten volksverhalen oorspronkelijk niets te maken hebben met de zoetsappige aftreksels die Disney ervan gebrouwen heeft, weet ook dat er geen betere verhalen denkbaar zijn om de wereld op te schudden. Sprookjes weerspiegelen ons aardse leven in al zijn facetten. Ze gaan over de wispelturigheid van het bestaan. Over hartstocht, dood, verraad, wraak, sociale ongelijkheid, machtsmisbruik en wat onze verbeelding vermag om dit alles te kunnen verdragen. Ze zijn grimmig, gruwelijk, bitter en zoet tegelijkertijd. En dat geeft ze – ongeacht hun oorsprong – een universele zeggingskracht. ‘Sprookjes’, schrijft Al Galidi in zijn voorwoord, ‘zijn van iedereen en voor iedereen.’ Hij noemt ze – heel mooi – ‘de beste reizigers en succesvolste migranten die ooit op onze prachtige planeet hebben bestaan.’

Woestijnen

Al Galidi heeft gelijk. Zijn in prettige spreektaal opgetekende korte vertellingen verschillen niet wezenlijk van de sprookjes die we in het Westen kennen. Ja, de duistere wouden van de Gebroeders Grimm zijn vervangen door verlaten woestijnen. De prinsen rijden niet op paarden, maar op kamelen. En in plaats van rode appels eten zijn helden en heldinnen zoete dadels. Maar verder is Abdullah uit ‘De arme houthakker’ er net zo ellendig aan toe als de vader van Hans en Grietje, brengt rijkdom vaak verlossing en dus geluk (hier gebracht door een slimme ezel die zo een achterneef van het goudezeltje uit ‘Tafeltje dek je, ezeltje strek je’ zou kunnen zijn), en kan niemand ontsnappen aan ons aller lot, getuige zowel de vergeefse vlucht voor de dood van de jonge bediende uit Serendiep naar Bagdad (‘De Dood’) , als die van de jongeling uit Grimms ‘De boodschappers van de dood’.

Sprookjes gaan niet over afkomst. En ze gaan niet over etniciteit. Schrijver, antropoloog en verwoed sprookjesverzamelaar Marita de Sterck stelt terecht in haar fraaie sprookjesbundel Wreed schoon dat pogingen om uit volksverhalen te distilleren wat het ‘volkskarakter’ van een bepaalde groep zou zijn, tot simplistische conclusies leiden. ‘Volkssprookjes kunnen een interessant licht werpen op een cultuurgroep’, schrijft De Sterck, ‘maar net als menselijke identiteiten zijn culturele en narratieve identiteiten complex, gelaagd, beweeglijk en speelt er een dynamische spanningsboog tussen etnisch en mondiaal behoren.’

Wreed schoon is daarvan het bewijs. Hierin bracht de Vlaamse vijfenzeventig volkssprookjes uit ruim veertig verschillende cultuurgroepen bijeen. Die rangschikte ze niet per land, maar rond een zestal thema’s, zoals ‘Cinderella’s en andere uitgebuite dochters’, ‘Ghouls, duivels en heksen’ en ‘Slimme, dappere meisjes en vrouwen’. Het is fascinerend te lezen hoe die culturen de sprookjes kleuren en hoe groot hun onderlinge verwantschap tegelijkertijd is.

Terwijl de verzameldrift van Jakob en Wilhelm Grimm juist was aangewakkerd door het romantisch nationalistische klimaat in de beginjaren van de negentiende eeuw, blijken die van oerverhalen cynisch genoeg weinig te zeggen over onze vermeende culturele identiteit. Dat klimaat heeft er ook toe geleid dat de Duizend-en-een-nacht-verhalen lange tijd als dé literaire verbeelding van de Oriënt werden gezien. Met stereotype beelden van exotische, zwoele vrouwen, barbaarse heersers en mysterieuze djinns, verstopt in iedere olielamp of fles. Wie Disneys Aladdin uit de jaren negentig kent (nota bene een verhaal dat begin achttiende eeuw door de eerste Europese vertaler van het werk, Antoine Galland, is toegevoegd), weet dat veel van die clichébeelden nog steeds heersen. De vraag is natuurlijk in hoeverre de boeken van Dros en Franck de Duizend-en-een-nacht-sprookjes wel als succesvolle migranten voorbij tijd en ruimte presenteren.

Wat niet direct voor En toen, Sheherazade, en toen? pleit is dat Dros voor haar bewerking twee negentiende-eeuwse Engelse vertalingen heeft gebruikt. Waaronder die van ontdekkingsreiziger, oriëntalist en vertaler Richard Burton (1821-1890), die als representant van het Brits imperialisme verweten wordt te hebben bijgedragen aan die stereotypering van de oosterse cultuur. Dros’ argument dat de Nederlandse standaardvertaling van Richard van Leeuwen (1993-2000) was uitverkocht, is wat gemakkelijk. Juist omdat Van Leeuwen in zijn vertaling – de degelijke basis van Francks Twintig parels – geprobeerd heeft alle beeldvorming te vermijden. Wat hem fascineerde aan de vertellingen, zo vertelde hij ooit in NRC, was hun grensoverschrijdende dynamiek. Ze stammen uit de Indiase, Perzische en Arabische cultuur en gaan vermoedelijk terug tot de negende eeuw. Sindsdien zijn die vertellingen uitgegroeid tot een bonte verzameling sprookjes, dierverhalen, liefdesverhalen, kronieken et cetera, waar klassieke Arabische poëziefragmenten doorheen zijn gevlochten.

Talloze versies

Illustratie Annemarie van Haeringen

In haar verantwoording toont Dros zich bewust van deze complexe ontstaansgeschiedenis en de talloze versies die circuleren. De vertalingen die ze gebruikte, waren vermoedelijk dan ook slechts haar leidraad. En toen, Sheherazade, en toen? is een rasechte bewerking. Dros schrijft onbeschroomd in een goedlopend metrum en kiest zo voor een eigen aanpak die past bij haar hartstocht voor het vertellen van verhalen, en die het op de orale verteltraditie gebaseerde karakter van de sprookjes recht doet. Niet geheel toevallig deelt zij die hartstocht met de heldin uit haar titel. Duizend-en-een-nacht – en dat maakt het werk als sprookjesverzameling bijzonder – is een van de vroegste voorbeelden van een raamvertelling. Het siert Dros en ook Franck daarom dat ze beginnen met de kaderverhalen over de ontrouw van de echtgenotes van twee koningsbroers. Die ontrouw heeft ertoe geleid dat een van hen, Sjahriar, zodanig wraakbelust is dat hij iedere nacht een nieuwe maagd laat opdraven, om die in de ochtend te onthoofden. Ze luiden de komst in van Sheherazade, of Sjahrazade zoals Franck haar in navolging van Van Leeuwen noemt, die Sjahriar met haar verhalen verleidt en zo haar eigen executie voorkomt én de geesteszieke koning geneest.

Zowel Dros als Franck geven haar in ieder verhaal een stem. Daardoor wordt het principe van de raamvertelling terecht benadrukt. Mooi is hoe Franck zijn Sjahrazade neerzet. Niet alleen is ze een toonbeeld van empathie en doorzettingsvermogen, ze is vooral een zelfbewuste jonge vrouw die bewijst dat verhalen een brug tussen mensen kunnen slaan, hoe verschillend ze ook zijn. ‘Het hart kan reizen in verhalen, in gedachten, in de liefde.’ Als je dat toestaat, zegt ze tegen Sjahriar, kun je je losmaken ‘uit de beknelling die je klein houdt.’

De Duizend-en-een-nacht-bewerkingen van Dros en Franck en Al Galidi’s Arabische sprookjes zijn geenszins inwisselbaar. Franck biedt het meest een panoramisch perspectief op de variatie in verhaalsoorten in de Duizend-en-een-nacht. Bovendien geeft hij de liefde en erotiek – niet onbelangrijk in de sprookjes – de meeste ruimte. Verder valt op dat de auteurs duidelijk andere keuzes hebben gemaakt. Slechts enkele verhalen duiken bij alle drie op, waaronder die van ‘Sinbad de Zeeman’. Wie Dros’ liefde voor Odysseus en de zee kent zal niet verbaasd zijn dat zij als enige schrijft over alle zeven zeereizen van Sinbad die ‘maar niet kan onthouden/ dat het ene verlangen steeds wordt gevolgd door het andere’ en dat ‘iedere reis een vlucht is die geen vervulling zal brengen.’ Haar versie is als metafoor voor de menselijke zoektocht naar wijsheid en geluk onmiskenbaar het meest meeslepend.

Daarnaast geven de illustraties de sprookjesbundels elk een volstrekt eigen uitstraling. Er zijn de levendige, gracieuze prenten van Annemarie van Haeringen, waarin ze soms speels terugvalt op oriëntalistische clichébeelden, getuige het openingsportret van Sjahriar en het achter weelderige patronen verstopte liefdesspel van de slaaf met de vrouw van de koning. Ze geven Dros’ bewerking allure. Bovendien versterkt het genuanceerde kleurenpalet van Van Haeringen de uitheemse sfeer. Zo suggereert het expressieve oranjeroze in ‘Het verhaal van de os en de ezel’ doeltreffend zonnehitte en woestijndroogte. De beelden van Martijn van der Linden zijn mysterieuzer en duister, en vol ingehouden spanning. Van zijn djinns gaat een dreiging uit die strookt met de dikwijls tragische afloop van de verhalen waarin het lot bepaalt.

Het meest overeenstemmend met de oosterse cultuur zijn misschien nog wel de delicate knipsels in betoverende kleuren van Geertje Aalders. De papierknip- en snijkunst heeft ten slotte een vergelijkbare reis afgelegd als de Duizend-en-een-nacht-sprookjes – via China door de woestijn in Centraal-Azië naar Europa. Aalders’ werk heeft duidelijk iets onbekends. Dat geeft Al Galidi’s Arabische sprookjes hun eigenheid zonder hun universaliteit te verzwakken.

‘Mooi is wat herkend wordt, en dat kan iets heel onbekends zijn’, zei literatuurcriticus Kees Fens ooit. Daarom zouden de Duizend-en-een-nacht-verhalen in iedere gezinsboekenkast naast Grimm moeten staan: de sprookjes houden een spiegel voor en bieden tegelijkertijd een blik naar buiten, voorbij de horizon. En of dat de bewerking van Dros of Franck is, maakt niet zo veel uit. Beide auteurs vieren oprecht de vertelkunst, op hun eigen aantrekkelijke wijze, zoals dat goedbeschouwd ook voor Al Galidi en De Sterck geldt. Ze tonen dat al die oerverhalen van alle plaatsen en tijden zijn en dat we meer met elkaar delen dan we soms denken.

    • Mirjam Noorduijn