Recensie

Onmatig saai wordt vanzelf interessant

Progrock

David Weigel schreef een liefdevolle geschiedenis van de symfonische rockmuziek. Hij is op zijn best als hij die muziek minutieus ontleedt, waardoor je er meteen opnieuw naar wilt luisteren.

Zwemmen in de oceaan (2017), Miriam Rasch

De kritiek kon genadeloos zijn over de muzieksoort die bekend staat als ‘progrock’, ook wel ‘symfonische rock’. Toen A Passion Play verscheen, van Jehtro Tull, gingen ‘de critici los op het album alsof het een piñata met een Hitlersnor was,’ aldus David Weigel (1971) die met The Show That Never Ends een boek heeft gewijd aan het genre. Het was aanvankelijk een grotendeels Engels genre, dat in de traditie stond van studio-experimenten van The Beatles en The Beach Boys, en ook van de conceptuele samenhang die The Kinks en The Who in hun platen aanbrachten.

Het gaat om bands als Yes, Genesis, King Crimson, Soft Machine en Emerson, Lake & Palmer die geïnspireerd werden door klassieke muziek en jazz, en zich niet lieten inperken door conventionele zaken als melodie of liedjes. Arrogante muziek dus, en dat blijkt alleen al uit het etiket: ‘prog’ verwijst naar ‘progressief’, en ‘symfonisch’ getuigt ook al niet van bescheidenheid.

Twee dingen hebben die progrock-bands met elkaar gemeen: een nadruk op techniek (minder vaardige bandleden werden er liefst zo snel mogelijk uitgeknikkerd) en een gebrek aan relativeringsvermogen. Dat levert vaak tragikomische verhalen op, zoals dat van de verbouwereerde Yes-keyboardspeler Tony Kaye die een aardig potje Hammond-orgel speelde, maar die het veld moest ruimen toen zijn bandgenoten in hun voorprogramma Rick Wakeman zagen spelen: ‘Daar stond iemand met vijf toetsenborden op het podium en we wisten meteen: díe moeten we hebben,’ herinnert zanger Jon Anderson zich.

Of het verhaal van Gordon Haskill die in de lach schoot van de rare teksten die Robert Fripp hem liet zingen (zijn minachtende gegrinnik is op het album – Lizard – beland). Ook leuk zijn de ruzies in Emerson, Lake & Palmer, waar ‘Dat is meer iets voor een solo-album’ de standaardmanier was om elkaars ideeën af te branden.

De muziek ging voor alles, zeker voor vriendschap en collegialiteit, en ze meenden de popmuziek daadwerkelijk op een hoger plan te brengen. ‘Een hogere kunstvorm, met tijdloze composities’, had Jon Anderson voor ogen. De scène waarin Yes-bassist Chris Squire op een muziekcruise in 2014 – een jaar voor zijn dood – met tranen in de ogen luistert naar hoe een coverbandje hun 22 minuten lange ‘Gates of Delirium’ met vuur én precisie uitvoert, is daarom zo ontroerend. Hier was het om te doen geweest.

Heilzame ziekte

De popgeschiedenis is niet mild geweest voor de rockdinosaurussen uit de jaren zeventig. Punk wordt meestal gezien als de heilzame ziekte die de van de rock-’n-roll losgezongen elitaire bleekneusjes uit de weg wist te ruimen. Maar de ondertitel van het boek (‘rise and fall’) is voorbarig, want helemaal gevallen is het genre nooit. King Crimson hield ermee op, maar Yes en Genesis niet, al gingen die steeds meer gewone popmuziek maken.

Want prog was inderdaad vaak onmatig, soms tot verveling van de bandleden zelf. De kleurrijke Rick Wakeman van Yes zegt achteraf over Tales from Topographic Oceans (vier ‘composities’ op één dubbel-lp): ‘Dat werd te pompeus, er zat te veel herhaling in, het was saai en ondoorgrondelijk’. Hij bestelde Indiaas eten op het podium voor tijdens de lange stukken waarin hij niks te doen had, ook dáárover kregen ze ruzie en Wakeman zou de band korte tijd later verlaten. Misschien was hij niet zen genoeg: ‘Als je iets maar saai genoeg vindt, wordt het vanzelf interessant,’ aldus Mike Ratledge van Soft Machine.

Het boek van Weigel is op zijn charmantst als hij de muziek minutieus gaat ontleden; iedereen die ook maar een beetje hield van symfonische rock, zal opnieuw gaan luisteren naar ‘Close to the Edge’ van Yes of ‘Supper’s Ready’ van Genesis.

Sommige platen zet je snel weer af, maar er zijn ook momenten dat er iets gebeurt met de som der delen, wanneer elk bandlid in zijn eigen wereld aan het soleren lijkt te zijn, de bassist funkt, de drummer rockt en de gitarist jazz speelt. Dan valt alles samen, en ontstaat uit die combinatie van arrogantie en virtuositeit een fascinerend geheel, en wordt Weigels fascinatie compleet begrijpelijk.

    • Bertram Mourits