Onderwijs

Vrouwen worden juist eerder hoogleraar dan mannen

Onderwijsblog Het aantal vrouwelijke hoogleraren blijft achter en toch hebben mannen meer last van een glazen plafond dan vrouwen. Hoe kan dat?

ANP Sander Koning

Het lijkt een heldere formule, de Glazen Plafond Index voor vrouwelijke wetenschappers. Die meet in hoeverre vrouwen zouden worden tegengehouden voor promotie. Je deelt het percentage vrouwen in de lagere rang door het percentage in de hogere. Als je op meer dan 1 uitkomt, heeft de hogere rang een kleiner aandeel vrouwen dan de lagere. Er zijn er dus te weinig bevorderd: een glazen plafond, is de redenering. De formule is in 2002 ontwikkeld voor het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In de net verschenen Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2017 van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren staat het volgende rekenvoorbeeld: 30 procent vrouwelijke wetenschappers in de lagere rang, 20 procent vrouwelijke wetenschappers in de hogere rang. Hieruit volgt een Glazen Plafond Index (GPI) van 1,5.

En wat is de uitkomst van de index voor vrouwelijke wetenschappers? De GPI voor de stap van promovendus naar universitair docent is 1,1. Dat is dus bijna goed. Voor de stap van universitair docent naar universitair hoofddocent daalde de index van 1,5 naar 1,4 en dat cijfer geldt ook voor de stap van universitair hoofddocent naar hoogleraar.

Deze index zegt niets over de tijd dat iemand er gemiddeld over doet om in de wetenschap hogerop te komen. Je wordt niet snel hoogleraar. Op die gronden kwam het Rathenau Instituut begin dit jaar tot de conclusie dat vrouwen gemiddeld juist sneller doorstromen dan mannen. De talentrijkste vrouwen worden op hun 47e hoogleraar. Dat is eerder dan mannen, die gemiddeld pas op hun 49e de wetenschappelijke toga ontvangen. Gemiddeld ligt er tussen de promotie en het hoogleraarschap negentien jaar.

Het Rathenau vergelijkt het percentage hoogleraarsbenoemingen dus niet met het huidige percentage vrouwelijke universitair hoofddocenten of studenten maar met het percentage promoties van 19 jaar terug. De lange doorlooptijd is de oorzaak van de traagheid van vrouwelijke benoemingen, niet de tegenwerking van een zogenoemd glazen plafond.

Bij geneeskunde en bètastudies gaat het harder: bij geneeskunde doordat negentien jaar geleden meer vrouwen promoveerden, bij de bètastudies wordt de grotere achterstand bijgewerkt.

Vooral bij de aanstelling tot universitair docent zijn vrouwen in het voordeel. Gemiddeld ligt er acht jaar tussen de promotie en de benoeming. Van 2003 tot 2015 werden op 706 benoemingen per jaar 67 vrouwelijke universitair docenten meer benoemd dan op grond van de promoties acht jaar eerder viel te verwachten. Een mannelijke doctor krijgt dus wat minder snel een vaste baan aan de universiteit dan een vrouwelijke. Het verschil is een glazen plafond om getalsmatige achterstanden van vrouwen weg te werken, die niet zijn veroorzaakt door deze mannen, maar stammen uit het verleden.

Door de lange doorlooptijd van doctor naar hoogleraar te negeren verdoezelt de monitor de maatregelen die al worden genomen. Het aandeel vrouwelijke hoogleraren van 19 procent is wat hoger dan het percentage gepromoveerde vrouwen 19 jaar terug. Als het percentage vrouwelijke doctoren – nu wat teruggelopen tot 49,1 procent – niet verder terugloopt, is er bij het huidige tempo in 2050 gelijkheid bereikt, voor de lagere rangen eerder.

Volgens Jos de Jonge, die het onderzoek voor het Rathenau Instituut deed, negeert de monitor ook dat vrouwen sneller uit de wetenschap vertrekken dan mannen. Zij worden eerder hoogleraar en zijn na zeven jaar weg; mannen worden twee jaar later benoemd en blijven negen jaar.

Volgens de monitor derft het land 68 miljoen inkomen door het niet doorstromen van vrouwen. De Jonge zegt dat daar geen sprake van is, omdat gepromoveerden vaak elders meer verdienen dan aan de universiteit. Overal is vraag naar getalenteerde vrouwen.

Nederland heeft een grote achterstand. Niet omdat Nederlandse vrouwen slechter zijn maar omdat vrouwen vergeleken bij het buitenland pas heel laat op de arbeidsmarkt zijn gekomen. Dat geldt ook voor de wetenschap. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig begonnen vrouwen hun achterstand in te halen, veel later dan in de VS en in de omringende landen, zegt De Jong. En nog steeds werken vrouwen vaker in deeltijd, weliswaar minder dan in andere branches, maar wel vaker dan mannelijke wetenschappers.

Eerder vertrekken

„Ze kijken niet naar wat de geschiedenis en traditie is”, zegt De Jonge over de monitor. „Wij hebben berekend dat er in 2050 pariteit is in hoogleraren. Dat is conform de verwachting. Ze kunnen opleggen dat vrouwen al zes jaar na hun promotie tot hoogleraar benoemd worden maar dat wordt nooit en te nimmer bewaarheid. In de monitor zien we niet terug dat vrouwen vaak korter in de wetenschap blijven en waarom dat zo is. Het antwoord op die vraag is veel belangwekkender dan dat jaarlijkse procentpuntje erbij of het gesuggereerde verlies aan talent.”

Er is veel te zeggen voor positieve discriminatie. Vooral bij de techniek en de bètawetenschappen zijn vrouwen vaak eenzaam tussen de vele mannen. Bevoordeling van vrouwen betekent benadeling van mannen. De benoemingsleeftijd van vrouwen kan nog verder naar beneden maar het is onwaarschijnlijk dat de doorlooptijd van de wetenschappelijke carrières van vrouwen plotseling van 19 tot 0 jaar kan worden gereduceerd. Het zal tientallen jaren kosten voor de man-vrouwverhoudingen in evenwicht zijn in de wetenschap. Vrouwen worden eerder benoemd dan mannen dus de Glazen Plafond Index weerspiegelt geen glazen plafond voor vrouwen, maar historische achterstand.

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs. Hiervoor was hij onder andere chef opinie, commentator en verslaggever voor NRC. Hij woonde 11 jaar in Washington, in de vroege jaren tachtig voor omroepen en bladen, in de vroege jaren negentig voor NRC.

    • Maarten Huygen