Recensie

Heb ontzag voor de genadeloze vrouw

Junichiro Tanizaki

In zijn literaire stem vermengt de Japanse schrijver van de grote roman Stille sneeuwval westerse en Japanse invloeden. Die grootsheid blijkt ook uit een bundel voorheen onvertaald werk.

Dames met kinderwagens in een crèche in Tokio, in de jaren twintig van de vorige eeuw. Foto Apic

De mens is geneigd in sjablonen te denken, en niet alleen als het over de grote bewegingen van de wereldgeschiedenis gaat. Zo dringt de volgende gemeenplaats zich onherroepelijk op wanneer het over de Japanse schrijver Junichiro Tanizaki (1886-1965) gaat: dat hij als jonge man enorm begeesterd raakte van alles wat westers was, om zich later van die invloed af te keren en zich juist hard te maken voor de traditionele waarden van de Japanse cultuur. En dat zijn werk een weerslag is van die dichotomie: de modernistische schrijver, die zich volop bezighield met verhalen over hedonisme en sadomasochisme, transformeerde in een voorname pleitbezorger van het elfde-eeuwse meesterwerk Het verhaal van Genji, dat hij meermaals naar modern Japans vertaalde.

Dit is grofweg correct, maar de werkelijkheid is natuurlijk complexer, want hoewel Tanizaki zijn blik steeds vaker op het verre verleden richtte, volhardde hij in zijn hoofdthema’s en bleef hij in essentie modernist. Zoveel wordt onderstreept door een nieuwe bundeling van veelal onvertaald werk, uitstekend bezorgd en ingeleid door Jos Vos, die eerder al een huzarenstuk afleverde met zijn integrale vertaling van de roman Genji. Tanizaki was in Japan mateloos populair, maar hoewel er veel van hem in het Nederlands is verschenen – onder meer de romans Stille sneeuwval, De sleutel en Dagboek van een oude dwaas – is hij hier een schrijver voor fijnproevers gebleven.

Voor De brug der dromen verzamelde Vos enkele vroege verhalen, een essay uit 1933 over de Japanse esthetische sensibiliteit en vier novellen, drie uit de jaren dertig en eentje uit 1959, toen de oude schrijver genoodzaakt was zijn werk te dicteren. Met name in de bijdragen uit de jaren dertig is Tanizaki op zijn best, met als uitschieters de magistrale novellen ‘De rietsnijder’ (1932) en ‘Shunkin – een schets’ (1933).

Westerse vrouwen

Tanizaki werd geboren in Tokio, in een gegoede familie die langzaam verarmde. Hij was al vroeg geïnteresseerd in literatuur, maar ook in film, westerse kleding, westers eten en westerse vrouwen. Hij verzette zich resoluut tegen het zogenaamde ‘oosterse pessimisme’, schrijft Vos in zijn inleiding. ‘Naar zijn opvatting was vreugde een essentieel ingrediënt van elke menselijk onderneming. Het ondermaanse kan een paradijs zijn vol lichamelijke en geestelijke geneugten; daarvan zou Tanizaki altijd overtuigd blijven.’

Later woonde hij in havenstad Yokohama, tussen buitenlanders, in een westers huis. Zijn vroege werk, waarvan in Brug der dromen voorbeelden zijn opgenomen, droeg er de sporen van. Veel veranderde door de Kanto-aardbeving die Tokio en Yokohama trof. Tanizaki, al behept met een diepe angst voor aardbevingen, verhuisde naar Kyoto. In die oude hoofdstad is de Japanse geschiedenis tastbaar, wat zijn interesse in het Japan van eeuwen her zal hebben gevoed.

In zijn essay Lofzang der schaduw keert Tanizaki zich expliciet tegen verlichting, en niet alleen in metaforische zin: hij meent dat de subtiele schoonheid van de Japanse architectuur en het Japanse lakwerk wordt verdrongen door schreeuwerige neon en helle huiskamerverlichting. Nuance, suggestie, de patina van ouderdom, al die zaken voeden de Japanse cultuur, zo betoogt hij, met haar gevoeligheid voor de schoonheid van het vergankelijke.

De literatuuropvattingen die Tanizaki zich door zijn wereldwijze belezenheid had eigen gemaakt, bleven hem beïnvloeden. Waardoor het misschien correcter is te zeggen dat Tanizaki, in plaats van zich van het Westen af te keren, tot een literaire stem kwam waarin westerse en Japanse invloeden een unieke balans vonden.

Als gezegd is deze uitgave de prijs alleen al waard vanwege ‘De rietsnijder’ en ‘Shunkin – een schets’. In beide novellen maakt Tanizaki gebruik van on-Japanse technieken. Er zijn verhalen binnen verhalen, er wordt geciteerd uit vermeende bronnen en poëzie; geschiedenislessen en proza worden soepeltjes verweven.

In ‘De rietsnijder’ volgen we de verteller op een tochtje naar een rivier waar ooit het buitenverblijf van een keizer uit de twaalfde eeuw heeft gestaan. ‘Nu heeft iedereen zijn eigen ideeën over landschapsschoon, en sommigen zullen wel geen waarde hechten aan dit soort plekjes, maar doodgewone heuvels en stroompjes als deze – niet groots en ook niet opvallend – zetten mij juist aan tot zoete dromen en ik zou er een eeuwigheid kunnen verwijlen.’ Dat doet hij ook, mijmerend over de roemruchte geschiedenis en over de meisjes van plezier die hier ooit in bootjes langs dreven.

Nog krachtiger is ‘Shunkin – een schets’, het akelig fascinerende verhaal van een meisje dat blind wordt, maar uitblinkt als muzikante, en de dienstjongen annex leerling die haar tot in het extreme ter wille is, hoe honds zij hem ook behandelt. Wat bezielt Shunkin? En wat bezielt de jongen Sasuke? Wat is er precies gebeurd en wat is de bron van hun verhouding, die ook een liefdesverhouding is? Tanizaki vertelt precies genoeg om ons nog lang na het slot over deze vragen te laten nadenken.

In zijn inleiding wijst Vos er al op: ‘Ontzag voor de schoonheid van de genadeloze vrouw: het thema loopt als een rode draad door Tanizaki’s oeuvre.’ Tanizaki is misschien een uithangbord geweest voor het verwesterde Japan én voor de hunkering naar oude waarden, maar voor alles was hij een schrijver die onverminderd zijn obsessies bleef najagen.

    • Auke Hulst