Recensie

Hé, daar heb je een Oekraïense in berenpak

Tobias Wals

In zijn debuutroman portretteert Tobias Wals excentrieke jongeren in Kiev, dat bij hem geen oorlogsgebied is, maar een soort Oost-Europees Lloret de Mar. Meestal laat hij de brassers zelf het werk voor hem doen.

‘Verrek, de oorlog!’ noteerde ik op pagina 167 van het debuut van Tobias Wals (1993). Je hebt dan al uren in Oekraïne doorgebracht, maar van dat wat Oekraïne voor ons buitenstaanders tot Oekraïne máákt – de burgeroorlog – was geen sprake. Het lijkt wel een bijdehand plaagstootje van Wals, dat kort vermelden van ‘de oorlog in de Donbas’, want ook in de resterende honderd pagina’s blijft de oorlog achterwege.

Wat is Kiev, de hoofdstad van Oekraïne dan wél voor Wals? Verrassend genoeg een soort Oost-Europees Lloret de Mar, een oord vol jonge, drinkende mensen die we niet op al te veel toekomstperspectief of geestelijke oriëntatie kunnen betrappen. In het morsige hostel dat het Dreh- und Angelpunkt van het boek vormt is het een komen en gaan van eigenaardige lieden: daar zit een Koreaanse die ervan overtuigd is dat Barack Obama opnames van haar maakt, daar gaat een alcoholistische Oekraïense in een berenpak en daar loopt de Duitse eigenaar van het hostel, zich het hoofd brekend over zijn financiële sores. Wals, die een tijdje in Kiev woonde, hoeft eigenlijk alleen maar anekdotes rondom deze kleurrijke figuren op te schrijven om een onderhoudende tekst te scheppen.

Een echte roman is Kiev op de bodem van een glas dan weer niet. In een verantwoording mag Wals dan benadrukken dat al zijn figuren fictief zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat fictionaliteit garant staat voor één groot overkoepelend verhaal, daarvoor is het te veel los zand. Zijn aanpak is daar ook te eenvoudig voor: in elk hoofdstuk verhaalt de verteller (Tobias Muilwijk geheten) over een nieuw buitenissig personage. Het zijn portretten die zich ergens tussen de journalistiek en de literatuur in bevinden: te particulier voor krant of tijdschrift en (vaak) te vlak om echt literair te zijn.

Wals/Muilwijk hanteert de vlieg-op-de-muur-techniek. Hij is zelf meestal emotioneel afwezig en laat de brassers het werk voor hem doen. Soms werkt dat. In ‘Op bezoek bij Tanja’, misschien wel het meest geslaagde onderdeel van het boek, gaat de verteller met boezemvriend Luuk op bezoek bij Oekraïense dames, waarbij de viriele en doortastende Luuk het aanlegt met een van hen. Maar Luuk kapt de romance rap af, waarna de dame zich uitput in smeekbedes, waarin ze hem erop wijst dat de dag nog wel komt waarop hij zich voor God zal moeten verantwoorden.

Wals beschrijft ook enkele roadtrips, zoals naar Babi Jar, het ravijn waar de nazi’s zo’n 100.000 mensen – veelal Joden – vermoordden. Of het provocerend bedoeld is, is onduidelijk, maar aan de uitwerking van dat gruwelijke voorval maakt hij weinig woorden vuil. Op die plek, waar ‘nu ’s zomers waarschijnlijk gemountainbiket’ wordt, vinden Tobias en vriend Nils een sleetje, waarmee ze al snel van de besneeuwde helling zoeven. ‘Waarom doe ik dit, vraag ik mezelf, maar meteen weet ik het weer: die sneeuw, die snelheid, die aandrang.’ Ergens kun je zulk gedrag wel duiden. Ook op schuldige plekken schijnt soms een onweerstaanbaar zonnetje, of ligt er een fijn sneeuwtapijt. Aan de andere kant: voor een mooie helling hoef je niet naar Babi Jar.