Recensie

Glitter, drek en bijtende koppen

De legendarisch Tina Brown vertelt hoe ze Vanity Fair tot een hit maakte.

Tina Brown (midden) op een societyfeestje in 1990, met actrice Lauren Hutton en ondernemer Ian Schraeger. Foto WireImage/Ron Galella

Ze wilde een boek schrijven over de ‘Crazy Eighties’, en ontdekte dat ze het al geschreven had: in haar jaren als hoofdredacteur van maandblad Vanity Fair hield de Britse Tina Brown (1953) zo’n gedetailleerd dagboek bij dat het leest als een kroniek.

Terwijl ze als prille dertiger een noodlijdend journalistiek relikwie trefzeker wist om te bouwen tot middelpunt van de patserige bovenlaag van de Reagan-jaren, met een oplagestijging van 200.000 tot 1,2 miljoen, noteerde ze in haar schaarse stille uren in een schoolschrift wat ze allemaal beleefde, als een tienermeisje.

Brown is eenzaam tijdens haar eerste jaren in New York, de droomstad die ze per se wil veroveren, maar die harder en ondoorgrondelijker blijkt dan ze zich thuis in Londen had voorgesteld. Haar man, oud-Times-hoofdredacteur Harold Evans, is na een conflict met eigenaar Rupert Murdoch ontslagen en leeft tijdelijk in de luwte, dus Brown moet er alleen op uit. En hoe.

Om de kolossale hoeveelheid ontmoetingen – borrels, diners, gala’s, het houdt niet op – en de spanningen op de redactie te verwerken legt ze haar dagen vast als een reporter. Het wemelt van de letterlijke citaten en puntige persoonsbeschrijvingen, alsof ze overal een sappig artikel van probeert te maken. Ze bewondert en hekelt vrijuit, met een duivels oog voor detail dat haar satirische, oer-Britse journalistieke achtergrond verraadt.

Bijtende koppen

Als hoofdredacteur van society-blad Tatler (1979-1983) had Brown al ervaring opgedaan in het managen van een redactie – ze weet hoe ze het beste uit auteurs en vormgevers kan halen, en ontslaat zonder grote gewetenswroeging wie ze vastgeroest vindt. Om Vanity Fair zijn unieke ‘stem’ te laten vinden haalt ze een groot deel van haar Tatler-vertrouwelingen naar New York: zij zorgen voor de bijtende koppen, geestige fotobijschriften en gestroomlijnde teksten, terwijl verslaggevers als Gail Sheehy en Dominick Dunne en topfotografen als Annie Leibovitz alle vrijheid krijgen.

Na een moeizaam eerste jaar ontstaat er iets magisch: een mix van onderzoeksjournalistiek en entertainment, glitter en drek, met in de hoofdrollen beroemde, of in elk geval notoire figuren uit de kunsten, zaken en politiek. Pak er een oude Vanity Fair bij en je leest hem, van kaft tot kaft.

„Amerika heeft geen geheugen”, tekent Brown op uit de mond van auteur Wallace Shawn. „Niets in New York leidt ergens toe.” Alles draait hier om persoonlijke marketing, concludeert ze zelf, ambitie is niet vies en fondsen werven niet gênant – het moet zelfs. Ondersteund door dit soort mantra’s behoudt ze haar Brits-rebelse kern, en haar ijzeren wilskracht om het Best Mogelijke Blad te maken. Tot de geboorte van haar eerste kind (de later als autistisch gediagnosticeerde George, in 1986) denkt ze aan niets anders.

Moeder van Mick Jagger

Om roem an sich geeft Brown verfrissend weinig: als kind van een filmproducent is ze niet snel onder de indruk, en als een ster een saai verhaal vertelt houdt ze vol tot er iets beters komt. Hilarisch is een interview met Mick Jagger, dat ontspoort omdat in dit geval de journaliste zich niet weet te gedragen: „Weet je Tina”, zegt de Rolling Stones-zanger rustig, „Ze blijft maar doorzagen over me mum, dat zij mijn ‘probleem’ was, maar zij was geen probleem. Dat was me dad.”

Zo leest The Vanity Fair Diaries ook als een soort post-feministisch manifest: een vakvrouw die mensen op hun prestaties beoordeelt en geniet van haar succes, die een slim afgedwongen salarisverhoging inzet om haar ouders een comfortabeler oude dag te bezorgen en die een fornuis minstens zo eng vindt als onderhandelen met het Witte Huis over een fotosessie. De Reagans sieren als danspaar een legendarisch geworden Vanity Fair-cover; koken blijft voor Brown een hopeloze zaak.

    • Sandra Heerma van Voss