Column

Exlibris die de doden doen leven

Michel Krielaars

In zijn column ‘Mijn eigen dood’ heeft Karel van het Reve het over een Komintern-agent die in de jaren dertig bij hem thuis over de vloer kwam. Die communist, Karl heette hij, werd in de oorlog door de nazi’s onthoofd. ‘Af en toe denk ik aan hem’, schrijft Van het Reve. ‘Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’

Aan Karl en Karel moest ik op mijn beurt denken tijdens het grasduinen in het onlangs verschenen Dit is mijn boek. Joodse exlibriscultuur in Nederland van Jan Aarts en Chris Kooyman, In dit voorbeeldig bezorgde en met 1700 exlibris verluchte ‘biografisch woordenboek’ van lezend Joods Nederland stuitte ik op enkele boekverzamelaars die ik heb gekend. Het meest genoot ik van het lemma over historicus Jacques Presser (1899-1970), wiens werk ik op de middelbare school verslond. Zijn novelle De nacht der Girondijnen en zijn detective Moord in Meppel (geschreven onder het pseudoniem Hagi Mami Reis) herlees ik om het jaar, gewoon om in besloten kring af en toe aan hem te denken.

Pressers exlibris is verdeeld in twee helften. Op de bovenste zie je een volle boekenkast, met een zwarte kat op een globe, een inktpot met ganzenveer, een boekenbindpers en een vaas distels. Op de onderste helft staan zeven Amsterdamse grachtenhuizen met vijf Vikingschepen in het water, een hiëroglyfentablet, een ouroborus, de Westertoren en een zonnewijzer. Het plaatje is Presser in een notendop: een historicus met gevoel voor ironie (o, waar is die gebleven in het publieke debat) en een grote liefde voor poezen en de Gouden Eeuw.

Dit prachtboek deed mijn gedachten ook afdwalen naar mijn vriend Leo Namenwirth (1907-1993), wiens exlibris ik erin tegenkwam. Ik heb zijn Duitse bibliotheek geërfd, met onder meer de dagboeken van Thomas Mann en Theodor Herzl. Leo kwam uit Keulen. Maar het lot dreef hem naar Nederland, waar hij trouwde met de dochter van een Dordtse matrassenkoning en succesvol werd in de jutehandel. De oorlog overleefde hij door zich niet als Jood te laten registreren en met zijn vrouw en een van zijn twee zoons in Putten te gaan wonen. Die zoon, Zwi, schreef er jaren later een episch gedicht over, A happy holocaust. Over ironie gesproken.

De literatuur liet Leo nooit los. Van Thomas Mann, een meester van de ironie, las hij elke snipper. En wanneer hij een glaasje op had, dan haalde hij gniffelend Nabokovs Lolita uit de kast. Zijn exlibris heeft echter meer met Mozart dan met Mann te maken. Niemand kende diens opera’s beter dan hij. Dankzij het exlibrisboek van Aarts en Kooyman weet ik nu dat Leo na zijn naturalisatie in 1933 ineens Elieser Benjamin heette. Daarvoor had ik me nooit afgevraagd wat die initialen op zijn exlibris betekenden. Voor zover ik weet heeft niemand hem ooit Elieser genoemd, zeker niet in de oorlog. Voor iedereen bleef hij Leo. Door dit op te schrijven leeft hij weer even en hoor ik zijn zangerige stem klinken.