Foto Merlijn Doomernik

‘Boos op een vogel, boos op God. Dat is toch grappig?’

Rodaan Al Galidi
Hij woont hier al zo’n twintig jaar, maar schrijver en dichter Rodaan Al Galidi zal zich altijd een vreemdeling blijven voelen. ‘Ze missen een geloof, de Nederlanders. Iets om voor te leven.’

Bij hem thuis in Zwolle afspreken wil hij liever niet, dus wacht hij me op bij het station en wandelen we naar de kringloopwinkel aan de Nieuwe Veerallee. Onderweg vertelt hij dat hij in het restaurant daar zijn werkplek heeft. Wifi, warmte. De fiets die hij aan de hand meevoert is roze gespoten en met zand bewerkt. Hij heeft hem zelf samengesteld uit oude onderdelen. Geen hond die hem ooit zal willen stelen.

Rodaan Al Galidi, dichter, schrijver, bouwkundig ingenieur, Irakees, leeftijd rond de 45. Geboortedata werden niet genoteerd in de streek waar hij vandaan komt. U kent hem van Hoe ik talent voor het leven kreeg, vorig jaar januari bij De Wereld Draait Door uitgeroepen tot boek van de maand. Nu heeft hij net een verhalenbundel gepubliceerd: Duizend-en-een nachtmerries.

Zijn haar is nog bijna net zo zwart als tien jaar geleden, de vorige keer dat we elkaar spraken. Hij had toen net een verblijfsvergunning gekregen, maar echt blij was hij niet. Het wachten had te lang geduurd, negen jaar, de vernederingen waren te diep geweest. Ik reed met hem mee in de trein naar Antwerpen, hij ging daar een kamer zoeken. Daar zagen ze hem niet als een beest, een asielbeest, maar als de dichter van wie het werk genomineerd was voor de VSB Poëzieprijs.

Rodaan Al Galidi: „De Nederlander, dat is het probleem, wordt op z’n derde gestolen van de natuur en ingepast in het systeem.”. Foto Merlijn Doomernik

We aten lamsvlees met geroosterde tomaten bij Turkse vrienden van hem die een restaurant hadden in de Lange Stuivenbergstraat en hij had het over het meisje met wie hij eens dacht te gaan vrijen, een Nederlandse.

Hij vertelde ook over de keer dat hij in de rij stond om zich te melden bij het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) – dat moest elke dag – en de man achter het loket met zijn rug naar hem toe zat.

– Meneer, ik wil me graag melden.

– Heeft u haast? Waarom? U mag toch niet werken.

– Maar ik mag wel leven.

– Haha, wat een mooi antwoord. Weet u wat? Gaat u daar maar even in de hoek zitten. Nee, dáár! In de hoek! Zit!

Al Galidi zat er van halftwaalf tot kwart voor vier. Ambtenaren achter een computer, ambtenaren in uniform, hij kon ze niet meer zien. „Ze zijn rustig, degelijk”, zei hij. „Ze houden zich aan de regels. Maar verwacht geen genade. Van de Bijbel hebben ze het kruis genomen, niet Jezus. Straf in plaats van vergeving. O, wat genieten ze ervan om iemand straf te geven.”

Hij vertelde dat hij Irak was ontvlucht omdat hij het leger in moest, vechten tegen Iran, vechten tegen de VS. Van mannen die weigerden werden neus en oren afgesneden. Ze werden doodgeschoten. Later las ik het allemaal (en nog veel meer) terug in Hoe ik talent voor het leven kreeg.

Zijn vaste plaats in het restaurant van de kringloopwinkel is bezet, dus we wijken uit naar een andere tafel. Zijn praten klinkt nog altijd als zingen.

Thee met honing, dadeltaart. Ik vraag waarom hij niet in Antwerpen is gebleven. Hij zegt dat hij met zijn verblijfsvergunning alleen in Nederland mocht wonen. En waarom Zwolle? Omdat een tent in Den Haag of Amsterdam meer kost dan een huis hier. En niet de verleiding van concerten of theatervoorstellingen waar hij toch geen geld voor heeft. In Zwolle kan hij zich concentreren op het belangrijkste: lezen, schrijven. Wat leest hij momenteel? Gedichten van Goethe. Brieven van Van Gogh. Mijn leven als genie van Salvador Dalí. „Ooooh, mooi, mooi. Zijn werk is zijn ziel. Dalí, dat is de eeuwigheid.”

Ja, hij leest ook Nederlandse schrijvers. Geert Mak, Rutger Kopland, Adriaan van Dis. „Ik ging met Van Dis en Antjie Krog op schrijverstournee naar Turkije, in 2012. In Hatay waren we op een school. De directeur zei: please don’t speak about politics, speak about literature. Adriaan van Dis zei tegen een zaal vol pubers: The name of my dog is politics, I’m not allowed to speak about my dog. De kinderen, ooooh, ze híelden van hem.”

Ik hoorde dat u ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg’ in eerste instantie hebt geschreven in de vorm van brieven aan een andere schrijver.

„Van wie ik de naam liever geheim houd. Hij zei: jouw verhaal is deel van onze geschiedenis, laat ons in de spiegel kijken. De schrijver is de verloskundige en de biologische vader van het boek. Maar hij wil niet tussen het boek en de wereld staan.” Zelf had hij nooit kunnen bedenken dat íemand in Nederland geïnteresseerd zou zijn in het leven van een asielzoeker.

Ik heb mijn boek geschreven voor mensen die ergens zijn waar geen wifi is

Het werd een groot succes.

„Omdat ik voor één lezer schreef. Vroeger dacht ik: je schrijft voor duizenden, als je er één verliest, heb je de anderen nog. Nee! Als je één lezer bereikt, heb je alle lezers.”

Voor wie heeft u ‘Duizend-en-een nachtmerries’ geschreven?

„Voor mensen die ergens zijn waar geen wifi is. In de gang van een ziekenhuis, in de wachtkamer, op vakantie. Dan hebben ze dit boek met verhalen, niet lang, luchtig. Kunnen ze een beetje lachen.”

Zo luchtig zijn ze anders niet.

„Jawel!” Hij drinkt van zijn thee. „Welke niet?”

Alle verhalen die zich in Irak afspelen.

„Dat zijn juist de luchtigste!”

Ook het verhaal over Aboesumeya die een aanslag gaat plegen op een markt?

„Het mislukt en het mislukt en het mislukt. De mensen blijven leven, de putter blijft zingen. Aboesumeya wordt woedend op de putter. Waarom vliegt die vervloekte vogel nog steeds rond? Ik blaas je op! Hij pleegt een aanslag op het lied van de putter. Hoe stom kun je zijn? Boos op een vogel. En dan boos op God. Wie ben jij? Ik ken je niet! Dat is toch grappig?”

Het verhaal over Nahi Jaffar dan, die geen geld meer heeft om de agenten van de geheime dienst af te kopen en zit te wachten tot ze hem komen vermoorden.

„Ze nemen een zogenaamd ontsnapte dief uit de gevangenis mee die het werk moet doen. En dan” – Al Galidi verslikt zich bijna, zo grappig vindt hij het – „gaat de telefoon van een van die agenten. De broer van Nahi Jaffar heeft op het laatste moment betaald, de moord gaat niet door. De dief is boos! Niet eerlijk! Het lijk kan ontsnappen aan de dood en ik moet terug naar de gevangenis! Dat is toch hilarisch? Dat is de kracht van literatuur. Dat je mensen laat lachen om waar ze het bangst voor zijn.”

Of waar u zelf het bangst voor bent?

„Oe”, zegt hij. „Oe.” Dan zegt hij een tijdje niks. En dan: „Als je familie en vrienden in Irak hebt, moet je een beetje gemakkelijk zijn om door te kunnen gaan met leven. Elke dag hoor ik de verhalen. Die is dood door IS. Die is verdwenen. Die zit vast. Die is geopereerd en kan de medicijnen niet betalen.”

U lacht veel, maar u bent somber.

„Als je praat over Irak, kan ik moeilijk zeggen: o, het is zo leuk daar, een vakantieland! Irak is een fabriek voor somberheid en droefheid. Als je wilt dat ik vrolijk ben, praat dan over Spanje.”

Heeft u wel eens spijt dat u bent weggegaan?

„Geen seconde. Mijn enige spijt is dat ik daar geboren ben. Had ik de baarmoeder maar nooit verlaten! Ik had in Irak kunnen blijven, natuurlijk. Maar wel met een kans van 80 procent om gek te worden, of vermoord. Wie neemt zo’n risico? Ik ken mensen die gebleven zijn en nu in hun graf liggen.”

Tien jaar geleden vertelde hij me hoe zijn vader hem had gebeld en had voorgesteld om beiden naar Jordanië te reizen en elkaar daar te ontmoeten. Dan kon zijn vader afscheid van hem nemen. Hij had niet lang meer te leven. Al Galidi ging naar de IND in Den Haag voor een visum. Hij kwam niet verder dan de portier.

– Laat me binnen, het is voor mijn vader.

– Nee. Wilt u weggaan.

– Portier, alstublieft. Ik wil zo graag nog één keer mijn vader zien.

– Als u niet weggaat, bel ik de politie.

– Portier, alstublieft.

De politie werd gebeld, ze zetten hem op de trein terug naar het azc. Daarna ging hij op zoek naar een vals paspoort. Toen hij het kon krijgen, was het te laat. Hij heeft zijn vader niet meer gezien. En zijn moeder? Leeft zij nog? „Ja”, zegt hij. „Ik heb haar gezien toen ik net een verblijfsvergunning had, in Syrië. Het was er nog veilig, en Westers. In Damascus kon je om drie uur ’s nachts eten.” Hoe was het met haar? „Ze was” – hij knijpt een kort moment zijn ogen dicht – „oud geworden.”

Ik wil het wonder van Nederland beschrijven. Bushaltes waar één keer in de maand iemand staat te wachten. En kijk, de bus komt, precies op tijd, en stopt.

Zijn volgende boek zal een vervolg zijn op Hoe ik talent voor het leven kreeg, over de jaren na het azc. „Zelfde manier van kijken, zelfde manier van vertellen, maar in dit verhaal geen asielzoekers. Het zal over Nederland gaan, over de ziel en de geest, over honden en katten en cavia’s. Ik wil graag het wonder van Nederland beschrijven, hoe de mensen hier zo’n prachtig en perfect land hebben gemaakt. De rioleringen, de afvalbakken, de bushaltes, ook in verlaten dorpen, waar maar één keer in de maand iemand staat te wachten. En kijk, de bus komt, precies op tijd, en stopt. Ik wil de mensen beschrijven die met hun honden in het park zitten te kletsen, en de honden bijten elkaar niet. Ik wil schrijven over de katten achter de raamkozijnen. Ze rennen niet achter de muizen aan, ze kijken met de muizen samen naar buiten. Nederland is voor mij duizend-en-een wonder, niet duizend-en-een nachtmerrie. Hoe kan zoiets in hemelsnaam bestaan? Zonder geheime dienst, alleen de belastingdienst. En dan de eerlijkheid en de duidelijkheid. Nederland is het duidelijkste koninkrijk op aarde.” Hij buigt naar me toe alsof hij een geheim gaat delen. „Maar in één dorp hier”, zegt hij, „zijn meer mensen psychisch ziek dan in een heel Afrikaans land. Depressie! Burn-out! Hoe komt dat?”

Hoe komt dat?

„Ze missen een geloof, de Nederlanders. Iets om voor te leven. Ze willen wel iets om in te geloven, dus geloven ze in hun werk. Maar na drie jaar niet meer. Ooooh, ik ben moe van het werk! Ik ben leeg! Ze geloven in de liefde, maar na twee jaar niet meer. Ik ben moe van Samantha, moe van de hond die ik moet uitlaten. Nederlanders weten niet hoe verwend ze zijn. Oooh! Er zijn vijftig studies die ik kan doen en ik kan niet kiezen! Mijn gsm is twee jaar oud en welke moet ik nu kopen? De Nederlander, dat is het probleem, wordt op z’n derde gestolen van de natuur en ingepast in het systeem. Pas op! Kijk uit! Nee, dat mag niet! Nee, dat kan niet! Niet doen! Op zijn twaalfde speelt hij piano en zwemt hij af voor zijn c-diploma. Nu nog genoeg punten om naar het gymnasium te kunnen. Nederland is perfect, maar het moet nog perfecter. Altijd werkzaamheden, op het spoor, aan de wegen, in het ziekenhuis, in de geest.”

Hoe beter mensen het hebben, hoe veeleisender ze worden?

„En hoe meer ze zich laten opsluiten in een kooi. Zoek balans! Maak van die kooi een volière!”

Voelt u zich nog een buitenstaander?

„En ik zorg ervoor dat het zo blijft. Dat is zo mooi van Nederland: ik kan asielzoeker blijven, de eeuwige asielzoeker, een vreemdeling. Vreemdeling zijn is mijn identiteit geworden.”

Lees ook dit artikel uit 2013: Rodaan al Galidi schreef een liefdesverklaring aan Nederland in vijf gedichten.

Het wordt donker buiten, de nepvlammen van de kachel naast ons lichten op. Ik vraag of hij in Irak ook schrijver zou zijn geweest. Hij vertelt over de schooljongen die hij ooit was, in een dorp ten zuiden van Bagdad. Op een dag kreeg hij een nieuwe leraar, een man uit de stad, en die vroeg hem wat hij las. Gedichten, meester. Wat voor gedichten? Over koeien en kamelen, meester. Over de sterren en de zon en het verlangen naar water. Bullshit, jongen. Dat is bedoeïenenpoëzie, ik zal je wat beters geven. Hij gaf hem Hamlet. Saai, zei Rodaan toen hij het uit had. Ik vind alleen de monologen mooi. To be or not to be, that is the question. Goed gezien, jongen.

De leraar gaf hem Kindertijd van Tolstoj. De hoofdpersoon, tien jaar oud, neemt afscheid van zijn aanbeden moeder, die net in verschrikkelijke angst overleden is. Hij klimt op een stoel om in de kist te kijken, maar waar hij haar lieve en warme gezicht verwacht, ziet hij iets bleeks en wasachtigs. Waarom is ze zo koud, zo afstandelijk? Ooooh, zei Rodaan tegen de leraar. Dit is mooi! Vergeleken met Tolstoj is Shakespeare een aap. Shakespeare gooit alles door elkaar, diamant en drol, maar dit is alleen diamant!

Je bent een schrijver, zei de leraar. Ooit zal je een schrijver zijn. Maar eerst moet je lezen.

    • Jannetje Koelewijn