Column

Sneeuwpop

Het licht is fel. De afzuiger zoemt. Mijn natte voeten in de badkuip. Het afvoerputje. Het stromende water dat licht weerkaatst. Restjes nagellak op mijn tenen. Hier staan is leven. Hier naar kijken is leven. Zoals verhongeren ook leven is. En sterven.

Ik droog me af en kleed me aan. De stad is schemerig en onherkenbaar wit besneeuwd. Ik heb wijn nodig. Wijn kopen is ook leven. Mensen schuifelen behoedzaam over straat. Ik passeer een sneeuwpop. Zijn buik is even groot als zijn hoofd en het is niet meteen duidelijk waar zijn ogen van gemaakt zijn, kan bevroren poep zijn. Een kartonnen koffiebeker verschaft hem een grijns die uitstraalt dat hij zich volledig bewust is van zijn plaats in de tijd en zijn eindigheid, en dat hij daar heel to-go okay mee is. Ik wou dat ik een sneeuwpop was, dan kon ik vrolijk smelten. Maar ik moet naar de supermarkt, waar ze Michael Bublé draaien.

Met een volle boodschappentas en een tienliterzak kattenbakkorrels kachel ik weer de winter in. Er moet nog wijn. Kraampjes van een kerstmarkt worden afgebroken. Voetgangers lopen op de weg, omdat daar gestrooid is. Ik sluit aan in de stroom.

Ik bel 112. Het duurt lang. Hij blijft stuiptrekken

Als ik een stille zijstraat passeer zie ik in mijn ooghoek een man vallen. Gek dat zoiets opvalt als je de wijnwinkel zo strak in het vizier hebt. „Meneer! Meneer! Gaat het?”, roep ik. Hij ligt roerloos op de grond. Ik begin op hem af te lopen, het is glad. Een fietser rijdt aan zijn kant de straat in. Het is de eerste persoon met een fiets die ik het ding zie gebruiken in deze weersomstandigheden. Hij werpt een blik op de gevallen man, alsof hij een opengereten vuilniszak ontwaart, en rijdt hem voorbij. Het lijkt eeuwen te duren voor ik bij hem ben. Hij ligt op zijn rug in de sneeuw. Uit zijn mond komen bellen speeksel. Hij stuiptrekt. „Help!”, roep ik. Het klinkt niet als mijn stem. Het is werkelijk vreemd om om hulp te roepen. Een geprogrammeerde klank, lijkt het, die in ieder mens zit. Een kort woord dat alles zegt. Een automatisme, in iedere taal te verstaan.

Een man komt uit zijn huis gerend. De ogen van de gevallen man zijn weggedraaid. Ik bel 112. Het duurt lang. Hij blijft stuiptrekken. De toegesnelde man legt een kussentje onder zijn hoofd. Hij is klein, midden vijftig, donker haar, maar kalend. Naast hem liggen zijn petje en een boodschappentas vol kleren. Er verzamelen zich meer mensen. Mensen, de miertjes, die helpen als een andere mier in de problemen zit. Behalve die lul op die fiets. De man begint aan de sneeuw te krabben als een kind, een beest. Zijn nagels schrapen over de stoep. Dan draaien zijn ogen de wereld weer in.

Hij kijkt me aan met grote ogen en trekt zijn sjaal van zijn keel. Laat het geen hartaanval zijn. Ik zou niet weten wat ik moet doen. Een vrouw haalt er een kennis bij die op de eerste hulp werkt. De man komt langzaam uit wat het ook was waar hij ineens in zat. Ook dat is leven, wakker worden in een bizarre droom en dan door moeten. De man kijkt angstig om zich heen naar al die mensen die hem aanstaren. Ik lach naar hem, probeer een vriendelijk gezicht te zijn in wat erg verwarrend moet zijn. Troost. Het presenteert zich zelden op de manier waarop men het zich wenst. Troost is vaak genoegen nemen. Een ambulancebroeder en zuster nemen de man en zijn tasje mee. Op weg naar huis, met wijn, passeer ik de sneeuwpop. Morgen, of wellicht overmorgen, ligt hier alleen nog de koffiebeker, en misschien twee ontdooide keutels.