Opinie

Natuurlijk wordt WODC beïnvloed

De politieke beïnvloeding van WODC-onderzoek is niet alleen het ministerie aan te rekenen. Onafhankelijkheid is iets wat telkens bevochten moet worden door onderzoekers zelf, betoogt Lex Cachet.

Beeld Getty Images/beeldbewerking NRC

Buitenstaanders – politici voorop – roepen graag en gretig over de wenselijkheid van ‘volstrekt onafhankelijk onderzoek’. Klinkt daadkrachtig, maar het laat enkel zien dat ze niet begrijpen hoe wetenschappelijk onderzoek in de praktijk werkt. Laat duidelijk zijn dat niets, maar dan ook helemaal niets, welke vorm van manipulatie van onderzoeksprocessen of -uitkomsten dan ook rechtvaardigt.

Wat binnen het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (kortweg WODC, een zelfstandig onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid) kennelijk gebeurde is voor insiders misschien minder verrassend dan voor de media, maar het is daarmee nog niet te billijken. De nu met beleden liefde voor strikt onafhankelijk onderzoek is in de alledaagse praktijk voortdurend kwetsbaar en vergankelijk. Dezelfde Kamerleden die nu hard roepen over de onafhankelijkheid van het WODC zullen binnenkort hun onwelgevallig onderzoek met evenveel gemak wegredeneren.

Waar het om gaat is dat sociaal-wetenschappelijk nooit in een vacuüm plaatsvindt. Het is een vorm van interactie. Met opdrachtgever of financier, met poortwachters die toegang tot data beheren, en interactie met respondenten. Een voorbeeld van legitieme beïnvloeding is een begeleidingscommissie die namens de opdrachtgever optreedt. Die praat meestal mee over de onderzoeksopzet. Dus ook over het afgrenzen van de vraagstelling, de keuze van methodiek en casus en selectie van respondenten. Het verkrijgen van toegang tot data, documenten, respondenten is een voortdurend onderhandelingsproces. Onderzoekers moeten zich daarbij voortdurend afvragen of wensen en verlangens van derden te rijmen zijn met hun professionaliteit en integriteit. Waar die grenzen liggen is moeilijk te zeggen. Soms is het duidelijk: als opdrachtgever of commissie probeert te verhinderen dat je bepaalde respondenten spreekt of wanneer je verboden wordt bepaalde data te gebruiken. Maar meestal zijn pogingen tot beïnvloeding subtieler. En lang niet elke poging is illegitiem. Alleen dat al onderstreept de stelling dat volstrekt onafhankelijk onderzoek niet bestaat.

Er zijn tal van voorbeelden van onderzoekers die stevige beperkende voorwaarden accepteren aan de toegang tot anders gesloten archieven. Het gebeurt dagelijks. Natuurlijk kun je je als onderzoeker principieel opstellen: „Ik accepteer geen enkele kans op censuur.” Dat kan, maar dan duurt het soms wel 75 jaar voordat duidelijk wordt hoe het echt zat. Kies maar.

Onderzoekers accepteren beperkende voorwaarden aan toegang tot anders gesloten archieven

De casus WODC is nog veel ingewikkelder dan die van ‘gewoon onderzoek’. Dat komt vooral door de vele rollen die het WODC speelt: onderzoeker, aanbesteder en begeleider van extern onderzoek, adviseur van de minister. De paradoxale positie van het instituut, onafhankelijk maar ook onderdeel van het departement, helpt ook niet mee. Er is al lang en terecht discussie over de voor- en nadelen van die positie. In de jaren zeventig woedde bijvoorbeeld al een debat over ‘gouvernementele criminologie’.

Wie geen beïnvloeding duldt, moet dan maar geen opdrachtonderzoek doen, zo kun je redeneren. Maar ook dat berust op een misverstand. Geen opdrachtonderzoek doen wil nog niet zeggen dat men vrij is van welke beïnvloeding dan ook. Denk aan het web van regels en voorwaarden waar je aan moet voldoen bij NWO- of EU-financiering of aan de grote rol van de farmacie in financiering van medisch-wetenschappelijk onderzoek. Daar treedt misschien geen beïnvloeding van het onderzoeksproces zelf op, maar des te meer in het voortraject: de afbakening van het probleem, de theoretische invalshoek, de onderzoeksaanpak, de samenwerking met collega’s. In het zeldzame geval dat de onderzoeker zichzelf kan financieren uit middelen van de universiteit, zal hij toch moeten onderhandelen over toegang tot veld en informatie, over de condities waaronder respondenten willen spreken en over inzage in documenten. Het is niet ongebruikelijk dat geïnterviewden het gespreksverslag willen zien en wijzigingen willen aanbrengen. Wat nu als die haaks staan op de geluidsopname? Het is ons allemaal weleens overkomen. Soms is het niet de geïnterviewde gezagsdrager zelf, maar een voorlichter die zijn baas uit de wind wil houden.

Lees ook: Grapperhaus: onderzoek onafhankelijkheid WOCC.

Vooral bij opdrachtonderzoek zal de opdrachtgever of financier een vinger in de pap willen hebben bij de opdrachtformulering. Op zich niets mis mee – wie betaalt mag (mede)bepalen – zolang de uiteindelijke formulering maar ruimte laat voor uitkomsten die hem minder welgevallig zijn. Autonomie speelt vooral bij de uitvoering. Daar geldt in hoge mate een non-interventie-principe. Misschien nog wel sterker bij het uiteindelijk trekken van conclusies.

Veel minder duidelijk is dat voor het formuleren van op het onderzoek gebaseerde adviezen. Die hebben niet alleen een wetenschappelijke grondslag, maar ook een politieke of beleidsmatige dimensie. Dus: wie is aan zet? Daar kan je over twisten of – beter – vooraf afspraken over maken.

Interessant is de rol en samenstelling van begeleidingscommissies. Die is er niet voor niets. Meestal treedt zij in de plaats van de opdrachtgever. Maar dat is vaak een schijnafstand. In elke WODC-begeleidingscommissie zitten wel een of meer ambtenaren van het departement. Maar ook de buitenstaanders – wetenschappers, praktijkmensen – zitten er niet voor niets in. Als het goed is, ontstaat zo binnen deze begeleidingscommissie toch evenwicht, op basis van een open debat, dat voorkomt dat de onderzoekers gereduceerd worden tot his master’s voice. Garanties zijn er echter niet. Veel onderzoekers willen ook in de toekomst graag onderzoek doen op het werkterrein van het departement. Wie zegt dat dat geen rol mag spelen is naïef.

De onafhankelijkheid van onderzoek is geen gegeven dat vooraf, aan de poort, gegarandeerd wordt of kan worden. Ferme uitspraken over onafhankelijkheid werken dan ook contraproductief omdat ze verdoezelen hoe lastig het beschermen van professionele onderzoekvrijheid in de praktijk is. Onafhankelijkheid is iets dat bevochten moet worden in voortdurende onderhandelingsprocessen. Onderzoekers moeten dus ook voortdurend alert blijven, hun integriteitsbewustzijn op peil houden en hun professionele ruimte claimen. Wie dat niet beseft, zet de deur open voor manipulatie en misbruik.

Lees ook het Commentaar: Manipuleren van drugsonderzoek past in erfenis Opstelten.